is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

352

ALT-HEIDKLBERC.

de mijne het geval was, waren de vrucht van gezamenlijken arbeid van Bunsen met een student; maar van veel meer waarde dan al deze waren de belangrijke wetenschappelijke onderzoekingen, die Bunsen alleen deed, waarvan de twee deelen met zijn eigen experimenten getuigen, onlangs door de Bunsen-vereeniging uitgegeven. Een volledig verslag te geven van de werken en het edele karakter van dezen man, is meer dan deze bladzijden bevatten kunnen ; toch zal het voorgaande voldoende zijn, om een schets, hoewel een zeer zwakke, te geven van het karakter en den arbeid van een der grootste mannen, die Duitschland heeft opgeleverd.

Men heeft zeer juist gezegd, dat Earaday Davy's grootste ontdekking was; met evenveel recht kan men zeggen, dat van al Bunsens vindingen Kirchhoff de grootste was, want aan de proefnemingen dezer beide groote Heidelbergsche tweelingbroeders hebben wij de ontdekking der spectraalanalyse te danken met alles, wat dit woord in zich bevat. In vele opzichten, zoowel physisch als geestelijk, vormde Kirchhoff een scherpe tegenstelling met Bunsen. Hij was kleiner van gestalte dan Bunsen, ofschoon hij volstrekt geen kleine man was; hij was zenuwachtig van aard en ook intellectueel bestond er groot onderscheid tnsschen de beide mannen. Bunsen was geen theoreticus; hij placht te zeggen, dat een enkel chemisch feit, dat volkomen bewezen was, evenveel waard was als een heele verzameling theorieën. Kirchhoff's kracht daarentegen bestond in mathematische voorstelling en uiteenzetting; daardoor brachten, wanneer zij samenwerkten, Bunsens handigheid en zijn inzicht in de natuurverschijnselen, vereenigd met Kirchhoff's veelomvattend generaliseertalent en mathematische scherpzinnigheid zulke groote gevolgen te weeg. De meest teekenende en juiste schets van de karakteristieke eigenschappen dezer beide groote mannen vindt men vervat in de volgende woorden, die mijn hooggeachte vriend, professor Koenigsberger, de beroemde Heidelbergsche wiskunstenaar, mij schreef: „Bunsen bezat geen hoofd voor wiskunde; hij behoorde niet tot de categorie, waarvan Maxwel en Keivin zulke schitterende exemplaren waren, maar hij had evenwel een logisch ver-