is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

366

chineesche architectuur.

kunst en natuur, of wel die slanke pagoden, die de bijna onbereikbaar schijnende toppen van vulcanische bergen kronen.

Zooals reeds gezegd, hebben de kerkelijke gebouwen verschillende uiterlijke vormen, al naar de verschillende doeleinden, waarvoor zij dienen, en zoo is het ook van binnen.

Maar de godsdiensten zijn ook in de verschillende deelen van China geheel verschillend. De twee meest verbreide zijn het Boeddhisme en het Taoisme; de stichter van het eerste is de Hindoestansche Gautama, van het laatste Lao-tse, die duizenden jaren geleden de wereldwijze van het land was. Naast deze beide hoofdgodsdiensten telt ook de leer van Mohammed talrijke aanhangers in het gele rijk en het aantal moskeeën loopt in de duizenden. 1

Toch is het karakteristiek voor dezen volksstam en zijn nationale beschaving van vele duizenden jaren, die alles min of meer een gedaanteverwisseling deed ondergaan, dat de stijl der tempels van de twee vreemde godsdiensten in verloop van tijd geheel veranderd is, zoodat men de bedehuizen van Boeddha, Tao en Mohammed heden ten dage nauwelijks van elkaar kan onderscheiden, terwijl ze alle op Chineesche yamen gelijken. Ja, op het eerste gezicht vinden we zelfs binnenin slechts geringe afwijkingen; de gangen met de zuilenrijen vinden we overal terug, en bij de versiering daarvan is in het beeldhouwwerk en de beschildering de nationale stijl steeds toongevend.

De Tempel hes Hemels.

Het hoogste heiligdom van het rijk is de tempel des Hemels in Peking. Hier offert de Zoon des Hemels, zooals de keizer zich noemt, aan zijn hemelschen vader. Hij alleen, en geen ander sterveling is uitverkoren, om op de treden van dit altaar de knieën te buigen. Daaruit vloeit voort, dat het heiligdom des hemels niet alleen een uiting is van het religieuse gevoel, maar ook van het nationale ideaal. Ên in overeenstemming daarmede is het ook niet één enkel gebouw, maar een klein rijk op zichzelf.

1) De schrijver erkent blijkbaar Confucius' leer niet als godsdienst en schijnt haar belijders aan het Taoisme toe te bedeelen. Vert.