is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MICHEL SEKVET.

449

„Servet zoekt het zwaartepunt van het christelijk dogma niet in het leerstuk der drieëenheid, zooals het door de scholastiek was geformuleerd, maar in het feit der goddelijke vleeschwording in den persoon van Jezus. Hij gelooft aan de goddelijke geboorte, omdat zij geheel in overeeneenstemming is met de algemeene wet die de manifestaties der Godheid beheerscht, volgens welke het geestelijke steeds met behulp van het zienlijke geopenbaard wordt. Het denkbeeld van een eeuwigen Zoon Gods wilde hij niet aannemen, behalve in de beteekenis dat het woord Gods, de Logos, steeds als openbaring van goddelijke kracht in uiterlijken vorm werkzaam is geweest. Zoo deed dezelfde Logos, toen de tijden vervuld waren, uit een vrouw een wezen geboren worden, dat op het oogenblik zijner geboorte met Gods geest bezield werd. Blijkbaar is clit niet f/de Eeuwige Zoon" uit de geloofsbelijdenissen, en dit was in het bijzonder Servets theologisch vergrijp. In zijn kritiek op het kerkelijk ritueel, op de pauselijke macht, op het systeem der sacramenten onderscheidde hij zich in hoofdzaak niet van de radicalen onder de hervormers, doch in zijn denkbeelden omtrent kinderdoop en avondmaal ging hij veel verder dan de officieele hervormde kerkgenootschappen. In beide gevallen beriep hij zich op het gezond verstand. Hij verwierp den kinderdoop, omdat het kind geen geloof hebben kan en de doopbediening voor het kind naar zijn oordeel dus des duivels is. Hij ontkende de transsubstantiatie en motiveerde zijn bestrijding met de rationeele opmerking dat stoffen en gebeurtenissen niet gescheiden kunnen worden, en hekelde de leiders der hervorming scherp wegens hunne zijns inziens flauwe houding in dit opzicht. Zijn taal is gewoonlijk scherp en heftig, behalve waar hij, zooals aan het einde zijner hoofdstukken, zich in woorden van vrome godsvereering uitspreekt en zijn uitvallen met buitengewoon schoone gebeden besluit, waarin hij zijn gansche ziel uitstort."

De Christelijke kerk ontdekte spoedig, dat er maar één zeker middel was, om aan de ketterij een einde te maken. Van het einde der vierde eeuw, toen men begon er gebruik van te maken tot aan den Barthelomeusnacht, in welken het op de meest gruwelijke wijze werd toegepast, werd algew. B. I, 1910. 29