is toegevoegd aan uw favorieten.

De kunst; een algemeen geïllustreerd en artistiek weekblad jrg 6, 1914, no 340, 01-08-1914

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 685 -

Eigenaardige Opvatting.

(Ingezonden.)

Amsterdam, 26 Juli 1914.

Aan de Redactie van het Weekblad De Kunst.

Hooggeachte Heer Redakteur!

U geeft ons daar 'n aardig raadseltje ter oplossing ! De heer Bernard Canter schrijft:

Het was Ieelijk. Wie heeft ons verteld, dat het zoo Ieelijk was ? Lieden, die zelf nog niet zoo ver zijn, dat zij een behoorlijk tapijt en een goed behangselpapiertje voor hun eigen huiskamer zouden weten te kiezen ; lieden, die een grove herrie als het z.g. „artisten"-feest in het Stadion zonder protest of minachtend zwijgen lieten voorbijgaan.

Jhr. Vi ctor de Stuers schrijft:

Het gedenkteeken is mij nooit sympathiek geweest. Vooreerst natuurlijk wegens zijne wanstaltigheid

Wat moeten wij, arme lezers van D e K u n s t, ons daarover nu voor 'n opinie vormen, daar, waar twee bekende en bevoegde menschen, twee „Koppen", zooals Maximilian Harden ze zou noemen, zoo lijnrecht tegenover elkaar staan !

Ik zou er mij niet aan durven wagen dien twee knappen, handigen strijders tusschen de wapens te loopen, met veel kans zelf het grootste gedeelte van de slagen op te loopen. Eenmaal in mijn leven heb ik getracht twee strijdenden tot een vergelijk te brengen, en hun woede keerde zich toen tot mij: ik was de eenige die met blauwe plekken naar huis ging !

Ik ben, evenals Jhr. De Stuers, iemand die niet in staat is behangselpapier uit te zoeken, omdat ik alle behangselpapieren Ieelijk vind.

Ook heb ik zonder protest aan het Stadion-feest medegewerkt, en heb, zij het dan ook niet minachtend, gezwegen, — waarschijnlijk omdat er geen reden voor protest bestond en ik handelen beter vind dan overbodig praten.

Het is mij onbegrijpelijk dat de heer Bernard Canter, bij een ernstig betoog als het zijne, dit Stadion-feest er met de haren bijsleept. Het doel van dit feest is bereikt: er is 'n kas gevormd om artiesten te steunen die, door het noodlot getroffen, hulpbehoevend geworden zijn, zoodat het niet meer noodig is voor hen in het publiek te bedelen, zooals indertijd voorden onselukki gen F a a s s e n het geval is geweest.

Dit doel, zeg ik, is bereikt. Wat er op dit feest is uitgevoerd heeft niemand geërgerd; integendeel: velen heeft het een uurtje vanvermaakverschaft.Gaatde heer

Bernard Canter niet een beetje ver, en brengt zijn ijver om iedereen te trappen en te geeselen' hem er niet toe om wat door te slaan? Is zulk een optreden den heer Canter waardig en ware wijze matiging niet wat beter geweest?

Streeft de heer Canter door het bijbrengen van zóóveel bewijzen het goede doel niet wat voorbij; kunnen wij zijn betoog, vergelijkend met dat van Jhr. De Stuers, wel ernstig nemen als wij zien dat hij naar zulke argumenten grijpt ?

De heer Canter spreekt van grove herrie, daar waar een publiek van 18000menschenzichamuseerde, geen enkel teeken van afkeuring gaf en tevreden huiswaarts ging. Ik herhaal: dit feest heeft niemand geërgerd of gekrenkt; het ware dan ook beter als de heer Canter bij zijn minachtend zwijgen ware gebleven. Niemand zou er iets aan verloren hebben!

Maar het geeft een vreemden kijk op het oordeel van den heer Bernard Canter. En ik geloof dat wij, lezers van De Kunst, ons maar beter aan de zijde van Jhr. De otuers scharen: m. i. geeft dat meer waarborg voor onpartijdigheid.

Datzelfde onbehaaglijke gevoel van te veel en overdreven krijgt men ook bij het lezen van B. C a n t e r's oordeel over de Wagner-Vereeniging en de miskenning van het werk der Nederlandsche toonkunstenaars.

Zeker, de Wagner-Vereeniging heeft kwaad, véél onherstelbaar kwaad gesticht voor de Nederlandsche muzikaal-dramatische kunst, en ik zelf heb er dikwijls in ingezonden-stukken op gewezen. Maar moet men daarom Wagner aanvallen? Is het zijn schuld dat zijn kunst sommigen krankzinnig maakt, die meenen dat zij geroepen zijn om voor dien heros te moeten strijden ? En dat nog wel in een vreemd land ? Maar ook deze dingen moet men nemen voor wat ze zijn. Het is veel gemakkelijker om voor ,,'n reus" te vechten dan voor een dwerg, en het is veel dankbaarder.

Als de heer Viotta eens voor de Nederlandsche Opera had moeten strijden, — hij had het lang niet zoo gemakkelijk gehad! En de lauweren, welke hij zich nu om de slapen kan winden, waren niet zoo talrijk geweest!

Maar daar staat tegenover dat hij nu iemand steunde die er zonder zijn steun waarachtig even goed was gekomen, en dat de Nederlandsche muzikaal-dramatische kunst zieltogend nederligt, geschoffeerd door misselijke exploitanten, die haar uitkleedden en het geplunderde lijk lieten liggen tot smaad en schande van het Nederlandsche volk. Had hij de Nederlandsche kunst gesteund, het ware 'n daad geweest, waarmede hij zich had kunnen vereeuwigen. Thans deed hij reklamewerk.

Maar van dat alles weet Wagner niets, gelukkig, en men mag hem, den Groote, daar niet voor aansprakelijk stellen; want wat Wagner deed voorde rmi-