is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

198

LEONARDO DA VINCI ALS BEELDHOUWER.

twee meesters af te leiden. Het beeldhouwwerk van Leonardo in die periode vertoonde waarschijnlijk eene gelijksoortige verwantschap met dat van Verrocchio. Zulk werk zou in beginsel Verrocchioachtig moeten zijn, minder rijp maar met meer bewegelijkheid in de trekken en grooter buigzaamheid der ledematen. De verschillende beeldhouwwerken, die gewoonlijk door de kenners aan Leonardo worden toegeschreven, te weten : het borstbeeld van Johannes de Dooper te South Kensington, het bas-relief der twee jongelingen die een schild dragen in het Palazzo Communale (Stadhuis) te Pistoja en het bas-relief van Scipio in het Louvre, schijnen deze kenmerken allen in meerdere of mindere mate te bezitten.

Maar om het bewijs voor deze onderstellingen te leveren, is vergelijkend onderzoek feitelijk onmisbaar en dit vergelijkend onderzoek is onmogelijk. Bovendien moet worden opgemerkt dat het niet aan te nemen is, dat Leonardo een teekening vervaardigd heeft die door een ander is uitgevoerd, daar, indien een dergelijk werk inderdaad aan Leonardo moet worden toegeschreven, het of uit zijn leertijd bf uit den tijd onmiddellijk daarop volgende dateert, en hij er in deze periode wel geen leerlingen op na zal hebben gehouden.

Hierbij kan ten overvloede opgemerkt worden dat, voorzoover bekend, geen van Leonardo's leerlingen ooit eenig beeldhouwwerk zelfstandig vervaardigd heeft.

Leonardo leefde nog twintig jaar na den val van Ludovico Sforza, en op de een of twee laatste na, waren het jaren van ingespannen bezigheid. In dezen tijd schilderde hij eenige groote stukken en maakte hij voorbereidende studiën voor vele andere, waarvan enkele door zijne leerlingen werden uitgevoerd. Hij werkte voor Cesar Borgia, de Overheid van Florence en twee opvolgende koningen van Frankrijk als militair- en civiel-ingenieur, daarbij rondreizen makend om vestingen te inspecteeren, waterleidingen en kanalen aan te leggen en na te gaan hoe men den loop van rivieren kon wijzigen. Zijn bekwaamheid en roem als architect waren van dien aard, dat hij voortdurend door plaatselijke autoriteiten om raad en advies werd aangezocht.