is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

428

VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST VAN MESOPOTAM1Ë.

Euphraat en Tigris, de andere vormt de monding van de rivier Karoen.

De oude rivier Karoen speelde in de vorming van de Tigris Buphraat-delta eene groote rol. Terwijl Tigris en Euphraat al hun slib reeds in de laaglanden van Babylonië, Chaldaea en Soesiana afzetten, voerde de Karoen in zijn snellen loop al het slibhoudende water met zich mede naar de Perzische Golf of liet het in den samenloop van de beide andere rivieren achter. Zoo ontstond het betrekkelijk hooggelegen land, dat zich als een landtong ten O. van Basra uitstrekt. Het beschermt het overstroomingsgebied van Tigris en Euphraat voor het binnendringen van zeewater en houdt het zuiver. De zandbanken bij Basra zijn hoofdzakelijk uit slib van den Karoen gevormd, terwijl het slib van Tigris en Euphraat veel verder westelijk is afgezet.

Bij Ur in Chaldaea, in de omgeving van de plaats waar Euphraat en Tigris zich vereenigen, liggen de ruïnen van vele plaatsen uit de oudheid. Beide rivieren hadden, zooals wij zagen, hun slib in de breede laagvlakten boven Ur afgezet, en de eerste bewoners vonden dus op deze plaats water, dat wel troebel was, maar vrij van slib, en daardoor niet te veel arbeidsloon vorderde om de bevloeiïngskanalen vrij te houden. Slechts een kleine bevolking kon hier het eerst met de exploitatie van het land beginnen en ze voortzetten, en eerst toen de bewoners dezer streken reeds zeer talrijk waren werd begonnen, het slibhoudende water aan het hooger gelegen deel der stroomen nuttig aan te wenden.

Zooals wij tegenwoordig zien, werd juist het bebouwde laagland buitengewoon vruchtbaar. De bewoners vonden het zóó vruchtbaar, dat zij zich de moeite getroostten, het door zware dijken, die men heden nog aan de oevers der rivier mijlen ver naspeuren kan, en die nergens minder dan 3 M. breed zijn, tegen den opdringenden vloed te beschermen.

Hoe groote beteekenis het slibvrije water voor de eerste exploitatie van het land had, werd mij bij het bestudeeren van de oude bevloeiïngstelsels terstond duidelijk, en ik zal later aantoonen, op welke wijze wij van die kennis partij denken te trekken.