is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

OVER THEE EN THEECULTUUR.

jonge heesters aan zich zelf overliet, dan zon men ten slotte een boom verkrijgen in den vorm van een pyramide; daar men echter geen vruchten verlangt maar jonge loten, heeft de planter er natuurlijk het grootste belang bij, dat er zooveel nieuwe loten uitloopen als maar eenigszins mogelijk is en dat de struik een vorm verkrijgt, die den oogst gemakkelijk maakt. Dat doel wordt bereikt door de heesters te toppen met scherpe, opzettelijk daarvoor ingerichte messen ; als de stam een hoogte van 1 tot l1^ meter bereikt heeft, dan wordt hij, 30 tot 50 centimeter boven den grond afgesneden; daardoor ontwikkelt de plant zich tot een heester, die in het volgend jaar tot een hoogte van ongeveer 60 cM. getopt wordt; zoo gaat men voort tot de heester een hoogte van 1 tot lr/2 meter bereikt heeft. Daar de struik onder deze behandeling een overmatig groot aantal loten gekregen heeft, moet men ook vaak takken wegsnijden, om den overblijvenden een rijken toevoer van licht en lucht te verzekeren.

Een goed verzorgde theestruik is van boven vlak of eenigszins gewelfd; het toppen geschiedt in den regel in het begin van den drogen tijd, als de omloop van sappen in de plant iets zwakker geworden is ; ook wel, als zulks om andere redenen noodzakelijk is, gedurende den oogst, hetgeen natuurlijk min of meer schadelijk is. Gedurende tien jaar na den eersten oogst leveren de theeplanten een goeden oogst; daarna begint de qualiteit vaak te verminderen, hetgeen velen planters aanleiding geeft om na verloop van twintig jaar nieuwe tuinen aan te leggen, hoewel het ook wel voorgekomen is, dat zelfs na 25 jaar er nog geen sprake was van achteruitgang in den oogst, noch in hoegrootheid, noch in hoedanigheid van het product.

Groote zorg moet gewijd worden aan het land waarop de theestruiken geplant zijn ; vooral aan het uitwieden van onkruid; herhaald omwoelen van den bodem tusschen de struiken is noodig om de lucht vrijen toegang te verschaffen tot de wortels; alle vier of vijf weken moet gewied worden, maar dit moet gedurende den regentijd achterwege blijven in tuinen, die op hellenden bodem aangelegd zijn, omdat het onkruid daar juist dienstig is om te beletten dat de