is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOEN YAT SEN EN DE REVOLUTIE IN CHINA.

167

den mensch. Door hunne groote minderheid in aantal was het in het belang der Mandsjoes, dat het volk zwak, onwetend, vredelievend en oneenig was. Daarom was het niet het hoofddoel van de politiek der Mandsjoes om de integriteit van het land te handhaven en de welvaart der bevolking te bevorderen, maar om de macht der regeerende kaste te bewaren en het volk onderworpen te houden. Omgang met de vreemde naties zou voor de Chineesche handelaren voordeelig geweest zijn en het Chineesche volk verlicht hebben. Maar de ontwikkeling van het volk zou gevaarlijk kunnen worden voor de kleine regeerende kaste. Daarom predikten de Mandsjoe-beambten haat tegen de vreemdelingen, die buiten het land gesloten werden. Voor de Mandjoes was een ongelukkige oorlog een kleiner ramp dan het bestaan van een nationaal leger dat hen onttroonen kon. Daarom werd het Chineesche leger verwaarloosd en het land vernederd en door alle naties beroofd. Moderne industrieën en spoorwegen zouden den nationalen voorspoed bevorderd hebben, maar daar door beide de macht en de samenhang van het volk vermeerderd zouden zijn, werden beide verboden. Het volk smeekte om een goede en eerlijke regeering. Daar echter de beambten Mandsjoes waren, moest men hun ter wille zijn om hun trouw en steun te behouden, en dus stond men hun toe het volk te plunderen. Gedurende twee en een halve eeuw werden de Chineezen door een onbeperkte en verdorven bureaucratie geregeerd en hunne onderdrukkers waren vreemdelingen.

De leer van Confucius, de overheerschende leer in China, is noch een godsdienst noch een stelsel van bovennatuurlijke of cosmische philosophie. Het is een agnostisch rationalistisch stelsel en een systeem van practische en zuiver tijdelijke gezondverstandsphilosophie, die niet verder dan deze aarde reikt. Ze schenkt in werkelijkheid niet de minste aandacht aan een leven hiernamaals, aan de eeuwigheid, aan toekomstige belooningeii of straffen, aan God. Ze leert alleen dat men goed moet doen, omdat het de plicht van ieder mensch is om goed te doen. De leer van Confucius handelt uitsluitend over de onderlinge verhouding der menschen en zeer volledig over de regeeringsquaesties, over de