is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER VROÜW.

193

afgeplat, enz. Wat heeft dit alles met intellectueelen aanleg of practische geschiktheid, met eenige eigenschap van den geest te maken ? Zeker niet meer dan de vorm van iemands neus of de kleur van iemands haar.

De wervelkolom.

Een van de verschillen tusschen de twee seksen die reeds langen tijd de aandacht van de mannen van het vak heeft bezig gehouden is dat tusschen de twee wervelkolommen.

Volgens verschillende schrijvers, die de wervelkolommen bij verschillende rassen hebben bestudeerd, is de lengte der borstwervels, vergeleken met de geheele kolom, bij den man altijd grooter dan bij de vrouw, terwijl daarentegen de lendewervels van de vrouwen soms even lang, maar dikwijls langer dan die van de mannen zijn. Dit feit is gemakkelijk verklaarbaar. De lendewervels staan tegenover den onderbuik en daar vindt men bij de vrouw een voortplantingsorgaan benevens meer ontwikkelde ingewanden en eene grootere hoeveelheid vet dan bij den man. Daar moet plaats zijn voor de jonge spruit, van de bevruchting af tot de geboorte toe. Geen wonder dat er meer ruimte noodig is en dus de lendewervels van de vrouw grooter moeten zijn dan die van den man.

Hoe komt het dan echter, dat de wervelkolom van den man langer is dan die van de vrouw?

Dit is het gevolg van de grootere lengte bij den man van de eerste negen borstwervels; de tiende en elfde zijn bij de vrouw stellig niet kleiner en de twaalfde is bij haar grooter dan bij den man (M. Soutarne).

Volgens Dr. E. Daily neemt men de volgende verschillen waar. Bij de vrouw zijn de lendewervels langer dan bij den man; het eind van het stuitbeen is niet eivormig als bij den man maar meer afgerond; de hals van het dijbeen staat schuiner; de wervels zijn meer ingedrukt; de beenuitsteeksels zijn kleiner, minder recht en een weinig naar achteren gebogen; de wervelgaten zijn kleiner; bet borstbeen is naar verhouding langer en dunner; de ribben zijn rechter; de vereeniging van voor- en achterribben is minder

W. B. I 1912. 13