is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

OVER HET WEZEN DER KOMETEN.

aarde komen; zijn zij echter grooter dan geven zij, als meteoren, tot sterke lichtverschijnselen aanleiding en vallen vaak als meteoorsteenen op aarde. Tot deze verklaring is men gekomen door de waarneming, dat vallende sterren vooral waargenomen worden in den tijd, dat de aarde de banen van kometen kruist; zij ontmoet dan de overblijfselen van kometen, talrijke meteoren, die door een of anderen storenden invloed van den zwerm los geraakt zijn en thans in ongeveer dezelfde baan om de zon blijven wentelen. Dat kometen zich werkelijk in kleine lichamen kunnen oplossen heeft men indertijd aan de komeet van Biela waargenomen: deze verdeelde zich, om zoo te zeggen voor de oogen der verbaasde sterrenkundigen, eerst in twee helften, daarna verdeelden deze beide stukken zich verder en ten slotte was de oorspronkelijke komeet geheel opgelost in een buitengewoon lang gestrekte reeks meteoren, het best bij een parelsnoer te vergelijken; telkens na verloop van een aantal jaren, overeenkomend met den omloopstijd der vroegere komeet, wordt er een groot aantal vallende sterren waargenomen, als de aarde in haar baan de kometenbaan snijdt. Dat de suit den hemel gevallen steenencc, de meteorieten, geen andere scheikundige elementen bevatten dan die, welke wij op aarde kennen, was reeds lang bekend; ijzer is een der voornaamste bestanddeelen.

Een meteorenzwerm moet uit een zeer groot aantal meteoren bestaan, zal hij, op een afstand gelijk aan dien tusschen de aarde en de zon, met een verrekijker of met het bloote oog zichtbaar zijn; zulke groote zwermen komen betrekkelijk zelden zoo dicht bij de zon, dat wij ze tengevolge hunner sterke verlichting waarnemen kunnen. Volgens de waarschijnlijkheidsrekening kunnen er des te meer dergelijke zwermen bestaan naarmate zij kleiner zijn; maar hoe kleiner zij zijn, des te minder kans is er, dat wij ze waarnemen. Het talrijkst zijn op zichzelf staande meteoren, die om de zon wentelen in banen, die met die der kometen overeenkomen; de zon trekt ze alle aan, zelfs op afstanden, zoo groot als de helft van den afstand, waarop de naastliggende vaste sterren van ons verwijderd zijn, maar, evenmin als de kometen, vallen de meteorieten in het algemeen op de oppervlakte der zon neer; veeleer wentelen zij in lang gestrekte ellipsen om dat hemellichaam. Men heeft berekend, dat ongeveer twee milliard maal meer meteorieten op de zon neerkomen dan op onze aarde; hoe ontelbaar veel meer meteorieten om de zon blijven draaien, zonder ooit er op neer te vallen, kunnen wij ons nauwelijks voorstellen. Zonder twijfel is dat aantal zóó verbazend groot, dat de zon zich, als het ware, in een, zij het ook niet zeer dichte, wolk van meteoren, een wolk van «kosmische stof« bevindt. Het bestaan