is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

TALLKTKAND.

leid door zijn bijzonder instinct van zelfbehoud. „Deze aap" zeide de hertog Dalberg, „zou er zich wel voor wachten, ook maar het uiterste puntje van zijn poot te branden, al waren dan ook al de kastanjes voor hem alleen." Maar hier gold het niet kastanjes uit het vuur te halen, doch te ontkomen aan de moordzieke woede van een gepeupel, dat, dronken van roof en moord, Parijs tot eene groote slachthal maakte. „De beurs of het leven: om zijn leven te redden moet men soms alles afstaan wat men bezit." Voor het zijne betaalde Talleyrand een zeer hoogen prijs.

Aan de mogendheden moest noodzakelijk een verklaring worden gezonden ter verdediging van de misdaden onder het Voorloopig Uitvoerend Bewind gepleegd. Talleyrand was de eenige die deze kon opstellen, en op verzoek van Danton, het werkelijke hoofd der regeering, deed hij het. Onteerender document werd nooit door een menschelijk wezen opgemaakt. Het is zelfs gemeener dan de twaalf jaren later ontworpen verdediging van den moord van den hertog d'Enghien.1 Het eerstvermelde document stelde den vlekkeloozen Lodewijk XVI voor als verrader en tiran, de onverlaten die de Zwitsersche garde geslacht hadden als helden, de gevreesde en verachtelijke Conventie als de verlosser en handhaver van den vrede. Ter belooning voor het misbruik zijner talenten om dit stuk vol schaamtelooze leugens op te stellen, kreeg Talleyrand den 8sten September zijn paspoort en vertrok naar Londen. Hij beweerde later, toen dit dienstig was voor zijn belangen, van het Voorloopig Uitvoerend Bewind eene diplomatieke zending naar Londen te hebben ontvangen. Maar dit was niet waar.

Den 18den September schreef hij aan Lord Grenville, volstrekt geen opdracht te hebben gekregen,2 wat de waarheid

1) Het is teekenend voor Talleyrand als mensch dat hij, toen hem gevraagd werd, waarom hij zich niet liever teruggetrokken had dan een zoo laag stuk te onderteekenen, antwoordde: „Indien, zooals door u beweerd wordt, Bonaparte zich aan een misdaad heeft schuldig gemaakt, dan is dit nog geen reden, waarom ik eene onhandigheid begaan zou."'

2) Deze brief wordt door de Lacombe aangehaald op blz. 23 van La Vie Privée de Talleyrand, terwijl op de volgende bladzijde een uittreksel