is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRANKZINNIGHEID EN BESCHAVING

421

vergeten in het gevaar dat allen bedreigde of door den plicht om alle krachten te wijden aan een of ander grootsch, nationaal werk. Van welken kant werkelijk gevaar voor het zenuwgestel dreigt, zullen wij straks zien. Thans is het de vraag of het waarschijnlijk is, of er eenige grond bestaat om aan te nemen, dat onze hedendaagsche beschaving voor het zenuwleven in hooge mate gevaarlijk is?

Wat hebben wij in dit verband onder „hedendaagsche beschaving" te verstaan ? Het antwoord op die vraag zal verschillend uitvallen, al naar den persoon tot wien men de vraag richt. „Hedendaagsche beschaving" is in den mond van hem, die aan de vorderingen der techniek en der hygiëne denkt, aan de duizenden gemakken en de weelde van het moderne leven, een woord, dat hij met eerbied en dankbaarheid uitspreekt, terwijl het voor den ander de verkorte opsomming is van een reeks van verwijten tegen onze wijze van leven, van tal van bezwaren tegen den geest des tijds.

In een kort tijdschriftartikel zullen wij ons niet vermeten dit begrip grondig te analyseeren; wij moeten er ons toe beperken de aandacht te vestigen op datgene, wat voor het zieleleven van den mensch in ons tegenwoordig maatschappelijk leven anders geworden is als vroeger.

Wij moeten dan wijzen op de verandering in het leven van honderdduizenden, die het onvermijdelijk -gevolg is van den langzamen overgang van een landbouwstaat in een industriestaat; op de kolossale vermeerdering van dat deel der bevolking, dat der nijverheid haar arbeiders levert en dat in de groote nijverheidscentra opgehoopt wordt; op de uitbreiding der groote steden met haar onvermijdelijk proletariaat; op de toenemende hevigheid en wreedheid der concurrentie, waarin alleen de krachtigste elementen eenige kans op de overwinning hebben ; op de vermindering van den invloed van den godsdienst; op het verflauwen van het idealisme in de staatkunde. Daarbij komt, om het zoo te noemen, de versnelling van het tempo van ons bestaan, d.i. vermeerdering van haast, van rumoer, van onrust, ook vermeerdering van wat er van ons geëischt wordt; en voor de hevigheid van den oeconomischen strijd noodzakelijke