is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

472

SWEDENBORG, DE ,/ZWEEDSCHE ZIENER".

zijn, moet men a priori toegeven, dat de geloofwaardigheid der andere wonderverhalen ten zeerste geschokt is. Het moeielijkst critisch na te gaan is het verhaal van den brand te Stokholm, want wij hebbes daarvoor geen andere bron dan de vrij troebele, waaruit Kant geput heeft, hoewel er een brief bestaat van Springer, een vriend van Swedenborg, aan den reeds genoemden Pernety, waarin deze beweert het verhaal van Swedenborg zelf (?) vernomen te hebben. Bovendien vindt men een bevestiging daarvan in een brief van den Zweedschen Minister Höpken aan den Deenschen generaal Tuxen, uit het jaar 1773.

Dit alles beteekent uiterst weinig, want Swedenborg is zeker geen betrouwbaar getuige in eigen zaak, en uit niets blijkt dat Höpken ooggetuige van het voorgevallene te Gothenburg geweest was. Alleen als het mogelijk was, een authentiek verslag te vinden van de mededeeling, die Swedenborg den ochtend na den brand aan den gouverneur deed en dit te vergelijken met datgene wat des Zondagsavonds te Stokholm gebeurd was, zou het mogelijk zijn te beslissen of Swedenborg werkelijk het vermogen van ,,helderziendheid« bezat of niet. Die mogelijkheid kan bezwaarlijk bestreden worden, want de quaestie of er menschen in staat zijn gewaar te worden wat op sommige ver afgelegen plaatsen gebeurt, is geenszins uitgemaakt; zonder twijfel bestaat er een reeks van verhalen, die dit verschijnsel schijnen te bevestigen, ofschoon het overtuigend bewijs dat zulk een vermogen bestaat nog niet geleverd is. Juist daarom moet men bij de beoordeeling van het overvloedig aanwezig materiaal uiterst voorzichtig zijn en vasthouden aan de strengste eischen van betrouwbaarheid. Aan dien eisch voldoet het verhaal van Kant, dat vooraf misschien wel door tal van monden gegaan was, omtrent Swedenborg's mededeeling van den brand te Stokholm zeker niet, en aan de bevestiging van het gebeurde in de brieven van Springer en Höpken mag men al even weinig waarde hechten als aan de verklaring die, volgens Hoffmann, koningin Louise Ulrica afgelegd zou hebben: »de geschiedenis van gravin Marteville is zeker geheel betrouwbaars.

Het derde door ons aangehaalde wonderverhaal wekt al dadelijk nog minder vertrouwen dan de twee andere, omdat ons niet medegedeeld wordt, wat eigenlijk tusschen de koningin en Swedenborg zou zijn voorgevallen. Van het gebeurde zijn verschillende voorstellingen tot ons gekomen, die met elkaar in strijd zijn en ook hier kan men zeggen: riedereen vertelt het op zijne wijzecc Hópken's verhaal deelden wij boven mede; anderen spreken van een brief der koningin aan haar broeder; Pernety beweert dat zij in haar eerste gesprek met Swedenborg reeds van een brief gesproken had en volgens Beylon had zij Swedenborg zelfs opgedragen haar overleden