is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 24, 1887 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ILLUSIEN EN IDEALJiN.

doen is, zijn niet de aesthetisehe, maar de ethische, niet die, welke den kunstenaar eigen zijn, maar de zedelijke, niet die van het schoone, maar van het goede, hoewel het goede in den grond altijd ook het waarachtig schoone is.

De zedelijke mensch moet arbeidend en worstelend streven naar het ideaal, dat de kunstenaar met zijn scheppende fantasie ziet en ons als 't ware spelend voor de oogen toovert. Wij moeten de volmaakte wereld, waartoe de kunst ons slechts in enkele zalige oogenblikken opheft, in en rondom ons allengskens scheppen door de veredeling van ons eigen karakter en leven, door bestrijding van het slechte en door bevordering van het goede in de wereld, waarin wij ons bevinden.

En het doel, dat ons daarbij voor oogen staat, nooit bereikt en toch „de inspanning der besten waard", smartelijk beschamend en toch tot geestdrift opwekkend, in de werkelijkheid nergens aanwezig en toch geen ijdel phantoom — dat is ons zedelijk ideaal, het oorspronkelijk beeld van het goede.

Dit zedelijk ideaal splitst zich overeenkomstig het verschillend gebied van het menschelijk leven in onderscheidene vormen, gelijk de lichtstraal zich in de kleuren van den regenboog breekt, en ontwikkelt zich naar de onderscheidene geestelijke ontwikkelingstrappen der menschheid in het geheel en van den enkelen mensch tot steeds volkomener gestalten.

Er bestaat een ideaal van edele vrouwelijkheid en een ideaal van echte mannelijkheid. Het laatste zal voor den krijger of den staatsman, het eerste voor de vorstin of de burgerlijke huisvrouw andere lijnen aannemen en in andere kleuren zich kleeden, even zeker als het zedelijk goede naar zijn wezen hetzelfde blijft voor iederen stand en elk geslacht.

De Grieksche wijze en de Indische brahmien, de oud-