is toegevoegd aan je favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 31, 1894 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DB JEUGD VAN ABRAHAM KUENEN.

over „den rijken jongeling" ten opzichte van Kuenen eene kleine wijziging zullen dienen te maken, omdat de bekoringen der ijdelheid, als wij dit woord in den meest gangbaren zin nemen van kinderachtige ingenomenheid met uitwendige voorrechten en gaven, die men heeft of niet heeft, om den wille van der menschen eere, op hem geen vat hadden; misschien wel door zich hoog voelen bleef hij vrij van dit „klein zijn." Dat dit „zich hoog gevoelen" zich van lieverlede ontwikkelde , kan niemand verbazen; dat het niet in ijdelheid verliep pleit krachtig voor de degelijkheid van zijn karakter: zijn jeugdig leven werd toch van nu af tot aan het einde toe één triumftocht.

Het jaar 1845 zag in eene zijner laatste maanden uitkomst voor den apothekersleerling opdagen. Tante Dyxhoorn ontdekt zijne heimelijke begeerte om te studeeren en toont „wat de wil eener vrouw vermag (v. d. Vlugt)" Met den aanvang van den eersten halfjarigen cursus van 1846 keert Kuenen naar het twee en een half jaar geleden verlaten gymnasium terug, om daar twee klassen overspringende zijne plaats te nemen in de hoogste van de rectorsschool, bij degenen, die geschikt geacht werden na afloop van den cursus tot de akademische lessen over te gaan. Hij vond daar Kruythoff, later Secretaris der stad Haarlem, die reeds sedert een paar jaar zijne aan het gymnasium te Nijmegen aangevangen studiën, aan het Haarlemsche voltooide, ook als ijverig lid van Utile Dulci hem bekend, en nevens mij nog een paar anderen. Mirandolle en Kruseman, die reeds in December het gymnasium hadden doorloopen en hunne oratiunculae uilgesproken, namen nog als hospitanten aan de lessen van den Rector deel. En zoo weinig had Kuenen in zijne ballingschap afgeleerd, ja zelfs zooveel bijgeleerd, dat hij 23 Juni 1846 als onze primus oreerde de Socrate, cive praestantissimo.