is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 32, 1895 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I 11

IN HET LICHT DER INWENDIGE ZENDING.

en der vrije liefde; zij kunnen niet ontberen wat de wereld „vallen" noemt; want, zoo zegt Magda, „schuldig moeten wij worden, willen wij opwassen; grooter worden dan onze zonde is meer waard dan de reinheid, die de Kerk predikt." Tegenover deze verheerlijking van de zonde, is het geen teekening van het christelijk standpunt, wanneer de vader zijn dochter eerst tot een huwelijk met den predikant wil dwingen, en om haar weigering haar verstoot, en dan weêr haar dwingen wil tot een huwelijk met iemand, dien zij zelfs niet achten kan. De christelijke zedeleer gebiedt geen huwelijken zonder achting en liefde, en kan Magdalena's begenadigen zonder haar te bewegen tot een farizeesch „weêr goed maken." Daarentegen verlangt de christelijke moraal van iedere vrouw, zij moge zwak zijn of sterk, dat zij met een man alleen een blijvend verbond zal sluiten; en wanneer Magda in ons stuk haar val niet verontschuldigt met haar zwakheid, maar rechtvaardigt met haar wettige aanspraak op levensgenot; ja, wanneer zij erkent, dat het bij één „val" in haar leven niet gebleven is, en zij toch altijd aan zich zelve trouw wil zijn gebleven, dan mag men wel vragen: trouw waarin ? In ongeregeld levensgenot? In ontrouw tegenover vrouwelijke schaamte en eer? In het zich geven aan mannen van de kwaliteit van dien regeeringsraad? Hier zien wij het bodemlooze van die naturalistische moraal. Vergelijk eens met deze zedeleer over liefde en echt die van een dichter, wien niemand een rigorist zal noemen, maar die door velen gehouden wordt voor een vertegenwoordiger van zeer toegeeflijke beginselen; wij bedoelen Goethe in zijn „Wahlverwandschaften." Hij behandelt daar ongeveer hetzelfde thema, maar hoe? Zóó, dat hij tot ons een dichterlijke prediking houdt over het woord des Heeren: ,,Wie een vrouw aanziet, om haar te begeeren, die heeft aireede