is toegevoegd aan uw favorieten.

Stemmen voor waarheid en vrede jrg 33, 1896 [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOUIS C0UPUEUS.

veld, langs een stroom met emerauden spiegel, — om in den schemelschyn van den avond, bij de geur van ontploken gardenia's in een vaas van chrysopraas, de lokken kruivend, de fulpig omwimperde schelen achter een purperen dwaal en de leliën-boezem dubbel gevoosd , een Sardanapalus te moet te wieken, — een aterling in een samaar, — en daarna, luisterend naar het lied van een zinger of vinder, nectar te nippen, terwijl eunuchen struisveêrèossen en amforen zwaaien. Wie zou zich ooit zoo iets kunnen voorstellen?

O , wij voelen door deze parodie, die wij tot een nieuwe mythe van een Aphrodite en een Sardanapalus, in uitgezochte Couperus-taal, zouden kunnen uitbreiden , dat wij, in gedichten met dergelijk vocabulaire, met knutsel-werk te doen hebben. Het spontane, anders de speciale gave van den schrijver, ontbreekt volkomen. Wij worden door deze gedichten niet verplaatst „in die selige Geheimwelt, jene grosze Offenbarung, die wir nennen Poësie."

De derde bundel, „ Williswinde", geeft meer dan de titel belooft. Behalve dit gedicht, krijgen we nog zangen op „Viviane", „Ginevra" en „Semiramis." Deze gedichten zijn feitelijk van vroegeren oorsprong dan die, in de verzameling der „Orchideeën" opgenomen, doch eerst onlangs tot een nieuw klein boekdeel vereenigd. Men vindt in deze poëzie reeds den toekomstigen taalcolorist, maar de gedichten, allen rijmloos en zonder passie of gemoed geschreven, laten nog meer onvoldaan, dan de vroeger besprokene. Opmerking verdient evenwel het feit, dat Couperus, anders de scepticus en frivole artist, in de dagen zijner jonkheid ook oogenblikken heeft gehad van bewondering voor schoone bladzijden van den Bijbel. Wij vinden in dezen laatsten bundel eenige „Fragmenten uit Johannes' Apocalyps", in metrische verzen welluidend weergegeven: