is toegevoegd aan uw favorieten.

Ons eigen tijdschrift, 1928 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeilscheepje op de branding tollend, in enkele vlakken volkomen geteekend, of de hooge huizen eener moderne stad met op een der daken een platform voor het vliegtuig van den bewoner, die met zijn tijd meegaat en net als bijna iedereen zijn eigen vlieg-fordje bezit. Ware tegenvoeters zijn Frans ter Gast en Dr. J. R. B. de Roos: het werk van eerstgenoemde toont den invloed van oude voorbeelden terwijl dat van laatstgenoemde naar het allernieuwste neigt en door en door modern is. De een geeft het beeld van een melkboertje dat op een hondekar langs een Hollandsche vaart rijdt met op het achterplan drie wiekende molens en de ander

het visioen van een metropolis waar „the world's largest" schering en inslag is! 0

Zoo zingt elk vogeltje als het gebekt is, elk werkt naar eigen aard en aanleg. Wie weet wat er nog geboren wordt, er zit méér in dan menigeen wel denkt en ik geloof zeker dat de groeiende belangstelling voor het Schimmenspel in onzen tijd bevruchtend kan werken, het spel der schimmen dat eenmaal door een der grootmeesters dezer kunst: Henri Rivière, zoo aardig is gekenschetst door de benaming van: „La bonne humeur en habit noir!" 0

Deirdre

Een Keltische legende. 0 0 DOOR Dr. FELIX RUTTEN. 0 Met een teekening van W. Heskes.

TEN NACHT HAD HET ZWAAR GE-

sneeuwd. De toppen van het woud waren wit overpoeierd en waar de woning van Levarcam stond, had de storm de sneeuwmassa's opgejaagd tot een wal, die er het

lage kreupelhout van den woudzoom bedolf. Rondom de hut was alles wit, van een welige, wollige witheid, en Deïrdre, de jonge maagd, zag door het venster uit naar het vreemd gezicht van het woud in de wintersche verstarring. 0 „Wat sta-je en droom-je voor het raam?" klonk de stem van Levarcam, haar voedster. 0 Maar Deïrdre had op de sneeuw iets roods bemerkt dat wel bloed kon zijn, — bloed van een houtduif, door valk of sperwer overvallen. De roode droppen teekenden het witte sneeuwveld. En Deïrdre peinsde op hetgeen zich daar had afgespeeld tusschen den machtigen roover en de weerlooze prooi. Toen streek er een raaf neer, Zwart op de witte sneeuw, en begon het bloed op te pikken. Deïrdre zag den raaf bij de roode bloedplek en haar oogen vulden zich met tranen. Lavarcam begreep dat zij schreide, aan het schokken van haar tengere schouders. „Kind", beangstigde zij zich, „wat scheelt je?" „Ach", snikte Deïrdre aan haar hals, „waarom moet ik trouwen met Conor, den ouden koning? Is het niet vreeslijk! Zijn baard is wit als de sneeuw; hij is oud als het bosch in wintertijd. Ik wil een man liefhebben, wiens haar even zwart is als de vleugels van een raaf, en met lippen zoo rood als bloed dat pas gestort is". „Deïrdre, liefste kind, hou in", kreet de voedster. „Heeft de koning u niet verkozen, dochter van Felim! Bedenk de gunst, het schoone vooruitzicht". 0 Treurig schudde Deïrdre het blonde hoofd. „Ik kan hem niet toebehooren, voedster, nimmer en nimmer". „Maar gij kent geen anderen man dan Conor!" „Die mijn vader zijn kon, maar nooit mijn gemaal wordt. Ik kan niet". 0 „Moet dan het orakel in vervulling gaan, en wat Cathbad, de Druïde, over u heeft uitgesproken bij uw geboorte: dat er dood en verderf om u in Ulster zijn zullen, schoonste vrouw van Erin?" 0 „Ik heb u hem geschilderd, dien mijn hart begeert". „Waar kunnen uw oogen hem dan geschouwd hebben?" „Wie, voedster wie is het, dien ik u genoemd heb?"

„Het is Naisi dien gij gezien hebt in uw droom: zwart als de raaf en rood-bloeiend van gezondheid: een der zonen van Usna." 0 „Is ook hij een koning, Levarcam?" „Een der kampioenen van den Rooden Tak, de heldenschaar van Ulster, die verblijf houdt aan Conors hof. Maar zult gij dan om dien eenen lief te hebben, het ongeluk van velen willen zijn?" 0 „Moet ik dan ongelukkig worden, en Conor volgen die mijn hart koud laat?" 0 „Conor zal u beveiligen voor alle wee, omdat hij u in zijn genade genomen heeft, terwille van uw vader. Deze wilde u dooden om het onheil dat de sterren over u te kennen gaven; toen heeft de koning u het leven gered, omdat hij beloofde, u, als de tijd daartoe kwam, tot vrouw te nemen." 0 „Levarcam, laat komen wat wil, maar geef mij den man dien mijn hart verlangt. En de liefde tot hem zal mij de kracht geven om alles te trotseeren en alles te dragen." 0

Zoo kwam het, dat Levarcam, die haar voedsterkind met liefde aanhing, den koning ontrouw werd en een boodschap zond tot Naisi. En toen de jonge held er op den drempel trad, vloog Deïrdre's hart hem onstuimig te gemoet. „Red mij van Conor die mij huwen zal, als gij niet wilt dat ik sterf vóór dien tijd!" En Naisi, die verstomd op haar schoonheid staarde, werd door haar smeken geroerd. Maar hij aarzelde nog: 0 „En zoo dit onheil brengen ging over ons en het gelukkig land van Erin, wanneer de koning ervaart wie het was, die u ontvoerde?" 0 „Wat vermag de heele wereld dan tegen twee die elkander toebehooren in onwankelbare trouw? Wij zullen ons geluk bouwen in de eenzaamheid, en onze vreugde vinden aan elkander. Wat behoeven wij meer?" En Naisi, door zijn broeders Ar dan en Ainle bijgestaan, ontvoerdde Deïrdre, de schoone, en haar oude voedster. Zij voeren naar Schotland, waar zij een woonplek vonden aan het meer, bij den bergpas Etive. Want Naisi waagde het niet, Deïrdre, zijn vrouw, naar het hof des konings te brengen. Ook hier zou de koning haar begeerd hebben, die de schoonste van Erin was. En daarom leefden de broeders met haar in de wildernis, ver van de driften en 't drijven der menschen, in het woud waar de bergen als muren omheen stonden, waar de buit van jacht en visscherij voldoende was voor 't schamel bestaan van hen zelf en Levarcam, en de weinigen die hen dienden.

Conor, de koning, wist van Naisi's koene daad en wachtte. Zijn mannen hadden hem bericht gebracht van 't verraad en de schaking, van Deïrdre's overtocht

177