Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 13 —

Romeinen zijn het, vrienden der Germanen,

Die Herman de Cherusker slechts bedwingen kon,

Zij zijn op marsch langs nooit gekende banen,

Den stroomloop volgend naar 't tolhuis Asealon.

Het ligt verscholen in het groen, bijna vergeten

In 't groote Keltenland, aan d' oever der rivier,

Het kan zich niet met groote Castra meten,

Maar vormt met Melenborg een legerwachtkwartier.

Zij zijn er nu ! Zij worden blij ontvangen

Als nieuwe wachters door den tollenaar,

En spoedig klinken zachte Zuiderzangen ;

In Asselts tolhuis huist oud-Romes Adelaar!

TWEEDE TAFEREEL.

Op de grondslagen van het tolhuis wordt een kerk gesticht.

Zes eeuwen stuiven weg als rook in 't ijl verleden, Een bark glijdt in het riet bij 't ingestorte huis, Drie priesters stappen uit en richten hunne schreden Naar d' ouden Romertol; zij planten hier 't Kruis. Op 't grove fundament verrijst een kleine tempel, Het volk vereenigt zich in Jezus' heilgen naam Om des Gekruisten wil zich zeegnend op den drempel; Vergaan is Odins leer, verdwenen Thonars Faam. Gods zegen dauwt allengskens op deez' gouwen, Een werkzaam volk zorgt trouw voor hof en haard, Het spit en ploegt, beakkert zijn landouwen, Het kouter blinkt; in ruste roest het zwaard, 't Verlossingsteeken prijkt met eere lange tijden Op 't kerkgebouw, door 't krijsgeweld gespaard. En biddend ziet het volk in al het menschüjk lijden Naar 't kruis omhoog, dat troost bracht op deez' aard De toren valt daarna ten prooi der woest golven Bij grooten watersnood, in donkren winternacht, Een deel der kerk wordt in den vloed bedolven, Die raast en buldrend sloopt met ongetemde kracht. Doch milde heeren bouwen 't op en schenken gaven: Een heerlijk Christusbeeld, als zwakken schijn van God, Maar dat door diepen zin nog openlijk kan staven De vroomheid van den Graaf van 'l Hillenrader slot,

Sluiten