Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»48 merkwaardigheden uit het leven van

Koning gaan halen en hem naar Parijs brengen; het regement van Vlaanderen, en de Gardes du Corps, die zich onderdaan hebben de nationale kokarde met voeten te trappen, moeten verdelgd worden. Is. de Koning te zwak om zijne kroon te dragen, laat hem dan zijnen zoon benoemen; laat ons een regentfehap hebben, en de zaken zullen beter gaan." •>•, wat

zegt gij! " riep lafayette , „ wilt gij den Koning

aantasten, en hem noodzaken ons te verlaten ?" ■

„ Neen, Generaal," was het antwoord, „ dit zoude ons grieven, want wij beminnen den Koning van ganfcher harte; maar hij zal ons niet verlaten, en al dede hij zulks, dan hebben wij nog den Dauphin!" Het gaat ons bellek verre te buiten, al de fchrikkelijke gebeurtemsfen van dien dag, hier te ontvouwen; eene merkwaardige anekdote van lodewijk zeiven kunnen wij echter niet met ftilzwijgen voorbijgaan. Men beligtte hem , dat het graauw in aantogt was , en de bode

voegde er bij, — „ ik 1'meek uwe Majelteit niet bevreesd te zijn, " „ Bevreesd! " antwoordde de

Monarch , „ ik was nimmer in mijn leven bevreesd!" Zich vervolgens tot zijn gevolg wendende, zeide hij: „ ik hoor dat er eenige beweging op de markt heeft plaats gehad, en dat de vrouwen van Parijs mij om brood komen vragen. Helaas! ware het in mijne magt, ik zou niet wachten tot zij het kwamen vorderen !" i Naderhand vroeg bem de Hertog van Luxemburg, of zijne Majeftcit eenige bevelen aan de garde had te geven?" „ Wat! tegen vrouwen?" zeide lodewijk. met een1 glimlach; „ gij fpot er mede." Ja, wanneer eene deputatie van zes vrouwen in zijne tegenwoordigheid werd toegelaten , en eene derzclven, i.ouise cambray met name, een jong meisje van niet meer dan zeventien jaren, die bij eenen beeldhouwer werkte, de teedera aandoening, weikc zij op het hooren van de vaderlijke toefpraak des Konings gevoelde, niet wederftaan kon, maar in onmagt nederzonk, kwam lodewijk zelf haar te hulp, en Jiet terftond de noodige middelen tot haar herftel aanwenden; toen het meisje bij haar vertrek verzocht de hand des Konings- te mogen kusfen: terwijl sl de vrouwen vergenoegd vertrokken en uitriepen; » God zegene den Koning en zijn huis! wij kunnen roorgen brood hebben!" zeide de Koning haar op den imnzasmften toon, dat zij .meer dan dat verdiende, en

Sluiten