Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verjaardag. 375

aan die armoede geen bevallig voorkomen; neen, maar zij nam toeh dat terugftootende, affchnkkende, weg, hetwelk men anders gevoelt bij het binnentreden van eene wonin°', waar tevens armoede en morfigheid —. , om °-een harder woord te gebruiken — heerfchen. Onderwijl dat ik het glas water uitdronk,, ontwaakte de zieke Zoo dra wij dit bemerkten, traden wij voor hare leaerftede. Zij opende de gordijnen Hechts een weinig — zeker uit fchaamte — wij deden onderzoek naar hare ziekte, en uit hetgeen, wat zij ons daarvan verhaalde, bemerkten wij, dat de oorzaak van hare ongefteldheid alleen was, gebrek, zelfs, aan de noodzakelijkfte behoeften. Bij het affcheid nemen, drukte ik — en zoo als ik geloof ook jetje — haar eenig geld in de hand, met de woorden: „ Ziedaar, goede Vrouw! koop u hiervoor eenige verkwikkende fpijze; gij zult, hoop ik, fpoedig weder hcrftcld zijn." De kieine meid, die ons uitliet, wees ons eene, op eenigen afftand ftaande, hut.

Daar woont moei doortje. Zij komt mij van avond ' halen, om bij haar brei te. eten, mijn broertje is er

al "— zeide zij met kinderlijke openhartigheid. Bij ons beiden te gelijk rees de gedachte op: „ hoe! wanneer wij bij die menfchen eens nader onderzoek deden / en , even alsof wij affpraak hadden gemaakt, ngteden wij onze fchreden naar die hut. De vrouw, die ons oogmerk fcheen te raden, verhaalde, met eenvoudige, onuitgezochte woorden, de lotgevallen, van vrouw berker, zoo als zij de zieke noemde, en vermeerderde daardoor niet weinig ons verlangen, om, zoo fpoedig mogelijk, te helpen. Wij haasteden ons naar huis en verhaalden terftond aan Papa en Mama onze ontmoeting. Meer was niet noodig, om in ben,hetzelfde verlangen te doen geboren worden. Kortom, reeds den volgenden _ dag had vrouw berker een bed met alles wat daarbij behoorde, kleederen en fpijze, voor haar en hare kinderen en ook nog eenig geld voor verdere benoodigdheden. De goede vrouw was van blijdfchap als buiten zich zelve. Zij wilde ons op hare kniën danken, dan wij onttrokken ons ten fpoedigfte. Weder te huis gekomen zijnde, ijlde ik naar het eenzame plekje in het bosch» jetje volgde mij, door hetzelfde gevoel gedreven. Wij vielen in elkanders armen, en riepen beide, als uit eenen mond: „ O', hoe zalig moet god wezen!

Aa 4 nut>

Sluiten