is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DE OOGSTMAAND. 479

De Moeder arbeidt naast haar' Echtvriend,

En 't werkzaam kroost Itreelt beider oog; De knaap vlecht banden om de halmen,

En 't meisje rigt de fchoof omhoog. De onnooz'le znig'ling fluimert zachtjes

Op 't bloemrijk gras, van dart'len moê, Of mengt, ontwaakt, zijn teed're klagtjes, Al vleijend , met betraande lachjes ,

En reikt zijn' moeder de armpjes toe.

Reeds hupp'len de avondfchemeringen,

Met purp'ren weerfchijn, over 't veld, Waar lange donk're fchaduw 't landvolk

't Ontzinken van den dag voorfpelt. Toch rennen hier, langs Hollands wegen,

De vlugge paarden af en aan, • Toch klinkt — om 's landmans milden zegen — De vreugd in 'c rinkelbord ons tegen,

Aan wagens, vol getast met graan.

Triomf I —> 'k zie ginds de laatfte fchoven

Met palm en bloemen rijk getooid; Des Landmans oogst is ingezameld,

'k Zie 't wagenfpoor met graan beftrooid. Verrukking ademt nu gezangen,

En de arbeid wordt door kalme rust Nu in den arm der min vervangen, Daar 't kroost op 's vaders bruine wangen

Den lach der dankb're ^lydfchap ku«.

Da