is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Mengelstukken), no 11

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4«*

over. de schepping

en die hij met den naam k/tarfcstersbtteei\ietit9vooT fchepfels van het Booze Wezen, van ahriman ; en hij gelooft zich, uit krachte zijner Godsvereering, als ftrijder voor het Rijk des Lichts (van ormusd), verpligt, om htt te vervolgen en uit te roeijen. Wanneer hij, integendeel, ook andere befchadigende en verwoede dieren, als Tijgers en dergelijke, daartoe betrekt, fchijrit volgens het eigenlijk Stelfel der Perzifche Wijsheid, niet zoo zeer hun beftaan, als wel hunne woede en verflindende hoedanigheid, daar onder t' huis te behooren.

Onze god , gelijk Hem mozes en de Profeten , Christus en de Apostelen aankondigen, kan zekerlijk, even weinig als de ormusd der Parzen of groote Koning der wereld, en het eeuwige Wezen dat dezen teelde, de fchepper van het booze, het fchadelijke, affchuweüjke en onvolkomene zijn. Al zijne werken zijn waarheid, al zijn doen onwraakbaar, en zijne wegen louter Heiligheid en Goedheid. Hij heeft den Dood niet gefchapen; hetgeen kwaad is kan voor Hem niet beftaan, veel minder nog, van Hem voortfpruiten. Het is eene groote dwaling, wanneer fommigen god deswege prijzen, dat hij het eene dier tot fpijs van het andere gefchapen zou hebben; wel te verdaan, in zoo verre men van de eerfte fchepping fpreekt. Waar toch meldt ons de Schriftuur iets zoodanigs ? Ja, zij meldt, dat god ook den jongen raven hun aas geeft; dat Hij zich ook over de leeuwenwelpen erbarmt wanneer zij tot Hem om voedfel fchreijen , offchoon de eerften van vérftorven lijken , en de laatften van levenden roof leven. De getrouwe god kan ook niet anders, dan zich eeuwigl'nk over al zijne fchepfels ontfermen. Nadat buiten Zijn toedoen de Dood in de wereld gekomen is en alles den dood door moet gaan, heeft Hij de Natuur zoo ingerigt, en geeft Hij er met onbegrijpelijke wijsheid en goedheid die Wending en befturing aan, dat de dood van het eene wezen het leven van het andere wordt, en uit elk lijden zoo veel geluk ontftaat als eenigzins mogelijk is. Wij overwegen niet, als wij ons verzadigen, dat de vogel, de visch, het flagtvee, en het wild op onze tafel, waardoor onze fmaak geftreeld wordt, de bittere doodfmart gevoeld hebben, en dat onze lust in het genót van hun vlcesch regt wreedaardig is. Echter is hét geene zonde, Dieren te (lachten en te eten; want god heeft het zelf veroorloofd -Gen. IX: 3; en dat dit geene

, foort