is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antara.

79

iatores"), gaat menil eerst over om van zoodanige Codices afzonderlijk en beknopte aanwijzing te doen. Vervolgens handelt hij meer uitgebreid over eenen Codex met eene ophelderende uitbreiding Van zouzenius, welken scheidiös A°. 1769 uit het Oosten ontvangen heeft, die nu in het bezit is van den Hoogl. willmet; een Codex zeer oud, zijnde afgefchreven A. H. 545 na christus 1150, netjes gefchreven, en bijzonder' gaaf en accuraat', welken.menil daarom ten grondllag zijner Uitgave heeft gelegd, zonder evenwel dc overige te verwaarloozen. Ten flotte wordt hier nog melding gemaakt van de Uitgave van al de Moallakdt, in het Engelsen vertaald door jones, Lond. 1783, 40. en in het Hoogduitsch door a. th. hartmann , Munft, 1802., 8vo.

Het Dichtftuk zelf volgt nu; eerst, van BI. 37—48, in het Arabisch, zuiver en net- gedrukt, beftaandc uit 75 Verzen; en vervolgens van BI 49—59 in het Latijn vertaald, niet woordelijk, dat ook onzin zou opleveren, maar met omfchrijving, waarbij menil de Uitlegging van zouzenius ftceds geraadpleegd heeft, ten einde geene kracht noch eenige veelomvattende beteekenis van eenig woord te laten verloren gaan.

Hierna, BI. 60—80 volgen dc verfchillende lezingen, rnet veel oplettendheid en zorgvuldigheid bijeen gezameld. Waarop vervolgens BI. 81-114 de Arabifche tekst der Scholia van zouzenius , niet bij verkorting, gelijk tot nog toe alle, maar geheel en met vokalengegeven wordt.

Tot dus verre gaat het Werk van menil , die in allen opzigte zijne taak loffelijk verrigt heeft, en daarin getoond , dat hij reeds verre is gevorderd om zich eenen roemrijken naam waardig te maken in het vak der Oosterfche Geleerdheid, inzonderhejd der Arabifche Letterkunde. Van harte wenfehen wij hem toe en lust, en gelegenheid om deze zijne ftudien voort te zetten, en zijnen reeds verkregenen roem ook buiten *s lands te verhoogen.

Het overige gedeelte van dit Werk van BI. 115—244, bevat dc breedvoerige Opmerkingen tot antara's Moallakah, van den Hoogleeraar willmet. — Dezelve zetten in allen opzigte eene gulden kroon op het Werk, en op het hoofd van den Opfteller derzelve, tevens. Zonder dezen zou antara's Gedicht, ook zelfs met

de