is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 6

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

266

j. m. kemper, redevoering; en

werd, ongelijk beter dan de vorigen: en fchoon wij, door toevallige omdandigheden verhinderd, eerst nu ver* ilag. doen van de bovcngem. Stukken, hebben wij echter hartelijk gedeeld in de Feest-vreugde en Feest-viering over de hcrdelling en opluistering der Nederlandfche Hoogefcholen; en hoewel misfehien wat laat, willen wij toch niet afzijn , deze Boekjes, als ten hooglte belangrijk en als gedenkdukken voor ons en voor onze

kinderen, ten fterkfte aan te prijzen.

Nederland kent kemper, die te Leydcn, bij de inhuldiging der Univerfiteit, het woord gevoerd heeft: een man, als hij, kon niet anders, dan met warmte en kracht, bij zulk eene gelegenheid, fpreken. Zijn onderwerp is het regtmatige der plegtigheid zelve, en dc befchouwing d--:r pligten, voor welke zij de loopbaan opent; en gelijk dit een gepast onderwerp bij deze gelegenheid was, zoo heeft hij het ook goed uitgevoerd. Zonder nu de vervallen Franicbe wetten op het Onderwijs

verachtelijker te willen maken, toont hij met weinige woorden derzelver nadeelige ftrekking genoegzaam aan : daarbij doet hij overtuigend zien, dat men ook niet onbepaald onze oude inrigtingen herdellen kon, omdat di« wel voor vroegere tijden voldoende waren, maar het voor de onze niet meer zijn; en hij wijst aan, dat men, bij de hcrdelling des Vaderlands, de zeldzame gelegenheid hebbende om eene geheel nieuwe en naar tijd en omdandigheden gefchikte inrigting daar te dellen, van die gelegenheid gebruik maken, het goede dat toch onder het kwade ook in de Franfche indellingen was, behouden en met het goede onzer Voorvaderlijke verordeningen vereenigen, het gebrekkige zoo veel mogelijk vermijden of verbeteren, en dus een geheel daardellen moest; naar de behoefte des tijds afgemeten: en zonder nu deze nieuwe inrigting hoog op te hemelen, want kemper fchijnt de man niet, die tot vleijen in ftaat is, zegt hu toch genoeg, om zijne hoorders te overtuigen, dat dezelve, fchoon menfehenwerk, eene goede en doelmatige inrigting is.

Dit weinige zij genoeg van den inhoud dezer Redevoering. In plaats van dezelve breeder of eigenlijk te fchetfen, waarvoor ze minder vatbaar is, raden wij liever een ieder, die prijs op Geleerdheid en Wetenfchap ilelt, en dezelve nog niet mogt gelezen hebben, ten emfh'gfte aan om dezelve te lezen; en wij hopen, dat

de-