Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. valentia, reis naar 1ndie, enz. 41?

Aëze naar Ceylon, de Roode Zee, Abysfmie en

Egypte, in de jaren 1802 tot 1806,■ naar het En~

- gelseh van den Burggraaf george valentia. Met Platen. EerftcDeel. Te Haarlem, bij F. Bohn, 1816. 380 Bladz. In gr. Octavo. De prijs is ƒ 3 - I5 " :

Dit Werk, waarvan wij thans het Eerde Deel aankondigen, verfcheen in 1809 te Londen in het licht, het werd in iSu door f. rühs in het Hoogduitsch vertaald; in 1813 gaf p. f. henry er pene Franfche vertaling van, en in 1816 ontvingen wij dit Eerde Deel in onze moedertaal. Dit levert, in zeker opzigt, een bewijs op, dat men belang flelde in deze Reis.

Deze Reis is, bij wijze van dagverhaal, opgedeld, en dit Eerde Deel levert ons de Reis van den Schrijver uit Engeland naar Indie en vandaar naar Ceilon. Zij laat zich met genoegen lezen, alleen merken wij er op aan, dat dezelve meer eene befebrijving bevat van de plaatfen, welke de Reiziger heeft bezocht, dan eene teekening van de zeden, gewoonten, gebruiken, leefwijze, Godsdienst , enz. der inwoners , en deze zou toch, onzes oordeels, belangrijker zijn, dan eene plaatsbelchryving. Beide dienden, in eene goede Reisbefchrijving zamen te gaan; echter heeft de Schrijver dezelven _ niet geheel en al voorbij gezien, gelijk vooral blijkt uit de twee laatde Hoofddukken van dit Deel.

De Schrijver heeft ook dit gebrek, dat hij niet vrij is te pleiten van nationalen hoogmoed, doch deze ontmoet men vooral bij Britfche Reizigers, en is dus iets, dat wij, als het ware, ongemerkt moeten overliappen.

— Ook kunnen wij niet ontveinzen, dat het ons gevoelig trof, toen wij het belangrijke van de Kaap en Ceilon lazen, dewijl dezelve thans geene Nederlandfche bezittingen meer zijn. Wij betreuren dit verlies, te meer, omdat wij hetzelve niet aan onze eigene fchuld te wijten hebben. Wij werden, door vreemde overheer» fching, in eenen oorlog met Engeland gewikkeld, en wij moesten de fchuld boeten, dan .... genoeg.

'Wij zien het vervolg dezer Reis, welker lezing wij gerust aanprijzen, met verlangen te gemoete, terwijl wij

lett. mag. 1817.. no. q. Dd hét

Sluiten