is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 10

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

460 c. bax, c. anne den tex, disput. inaug.

gon uit te (trekken. Dich hoe met deze onderftelling, of liever inwendig gefcbiedkiindig zekere opmerking, de fabelen van romulus en reüus , en Kornis oorfprong uit eene bende herders en vlugtelingen, eerst zonder vrouwen, enz» enz. zich laten rijmen, moge de geleerde Rccenfent, ook der. Recenf enten weten, dicf'in het voorleden jaar een jongen Doctor in de Letteren fchoolmeesterde, omdat hij achter zijn Akademisch proeffchrift, NB. als twistvraag, had durven (lellen: dat de gewone overlevering, van Rome's (lichting doorROMULUs, weiligt niet volkomen zeker ging,

• Maar wij gaan over tot de Verhandeling van den Heer den tex Met eene beminnelijke zedigheid fpreekt deze Schrijver in zijn Voorberigt van het bepaalde doel en de ftrekking zijns Werks; ten einde men van hem niet verwachte, hetgeen, dat hij niet hal willen of kunnen geven: geene kunstmatige beichrijving van de Muzijk der Ouden; geene volledige Verhandeling over den zedelijken invloed der Muzijk; geen volledig zamenftel van plato's leer over de opvoeding (*); geene Verhandeling, welke met die van den Heer de geer, over tlato's Wrsgeerige Staatsleer, mede onder het oog van den beroemden van heusde weleer bewerkt, konde vergeleken worden: — naar eene behandeling der vrage: in welken zin plato beweerd hebbe, dat eene behoorlijke beoefening der Muzijk het voornaamfte middel zij, ter vorming en befchaving van den mensch? en deze behandeling niet zoo, dat hij dit onderwerp met vele bijgebragte geleerdheid toelicht, maar Hechts, hetgene, wat, hij bij het lezen van plato hieromtrent opgemerkt had, in eene juiste orde gerangfchikt hebbe, enz.

De Schrijver kan gerust zijn, dat niemand iet meer of beters nopens zijn gekozen belangrijk onderwerp van hem eifchen zal, dan hier gegeven is. Het doet ons Hechts leed, dat het beftek van dit verflag ons niet toelaat zelfs meer eene volledige opgave van het beloop en de hoofdzaken dezer geleerde Verhandeling te doenr welke echter te minder noodig is, daar dezelve, reeds in 1816, in den Kunst- en Letterbode voldoende ge-,

fchied

00 Dit mag dan ook de reden zijn, dat de Schr. geheel geene melding gemaakt heeft van de Redevoering over dit onderwerp van den Hoogleeraar theod. van swinderen.