is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1817 (Uittreksels en beoordelingen), no 12

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

534

H. DE HAAN HUGENHOLTZ,

gaande eenen toekomftigen Verlosfer, en, in het «remeen, eene volkomene herftelling van Hem verwachtte van alles, wat door de zonde "bedorven was, fpreekt wel van zelf. Dat hij en al de geloovigen van den ouden dag, op grond van de verzoening, welke de Verlosfer eenmaal heeft uitgewerkt, vergevinge van zonde ontvingen, ftemmen wij ook gereedelijk toe. Maar zou david Hem daarom, in dien zin, waarin wij, nu alles vervuld en ontwikkeld is, Hem thans, als den Grooten Middelaar, kennen, waarlijk gekend hebben? Hoeveel moeten wij, om dit te denken, niet vooronderftellën, waarvoor wij toch in de Schriften des Ouden Verbonds, inderdaad, geene bewijzen vinden. En wat betreft den grond van onze fchuldvergeving bij god, zoo als die, door den Verlosfer is daargefteld, dat david en al de geloovigen van den ouden dag, op denzelven vergevinge van god ontvangen hebben, en Hem zoo eerbiedig en vertrouwelijk vreesden, Hemden wij daar even gereedelijk toe: maar, waar is het be, wijs, dat david en anderen uit de offeren en andere plegtigheden van den Godsdienst, daarom dat zelfde volledige begrip hadden, dat wij er nu van hebben? ."Wij hoorden wei eens dit alles uit de offeranden, enz. beredeneren:_ maar dat moge ons nu gemakkelijk vallen; doch zou dit, bij david en zijne tijdgenooten, even zoo gemakkelijk gegaan zijn, als men nu vaak ten minde zich verbeeldt, dat dit bij ons gaat? Ja, was dit voor de Kerk van dien tijd wel eens "behoefte "? Wij althans kunnen in de Schriften van het Oude Verbond, niet één voldoend bewijs vinden, dat de oude geloovigen, nopens dit ftuk, die zelfde volledige begrippen hadden of konden hebben, die wij er, door gods ge^ nadige bedeeling over ons, thans van hebben. Wij kunnen, het is waar, wel niet zien, dat de vooronderltelling en het gezegde van den braven D. H. H. fchadelijke dwaling is: maar de befhijderen van de leer der Verzoening, meten niet zelden onze geloofs-gronden voor deze eeuwig gewigtige waarheid, naar zulke zwakke redeneringen af; en waarom zullen wij deze menfehen, al gefchiedt dit dan in goeden ijver, aanleiding geven, om tegen dezelve nog al meer ingenomen te worden; ja er zelfs welligt mede te fpotten ? hn van deze zonde zou een groot deel voor onze rekening komen. Elk, die daartoe noodige bekwaamheid