is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESCHRIJVING VAN JAVA.

op dezelve door elkander niet wel meer dan vier of vier en een half perfoon reke-en kan, en dat de woningen eene daaraan evenredige beknoptheid behouden kunnen, terwijl de kinderen in hunne vroejere jaren dan aan kleedij of bedden bijna niets kosten er fkchts wat mede nuttigen van de opbrengst der akkers 9 tot wier behandeling zij de ouders weldra de hand beginnen te leenen. Zoo veel gemakkelijkheids in de opvoeding der kinderen fchijnt zelfs de ecntfcheidingen, die men zich hier overigens maar al te roekeloos en ond*r weinig beduidende voorwendfels veroorlooft, min gevaarlijk te maken voor de bevolking. De veelwijverij is ei volgens de voorfchriften van mahomfd wel geoorloofd., maar onder het gros des volks niet gebruikelijk, ei. hier, blijkens de verhouding van het aantal mansperforien tot dat der vrouwen, even zoo wel als elders ftrijdig met de aanwijzingen der natuur. In weerwil van de \roeg géflotene huwelijken, is derzelver vruchtbaarheid hngdurig; doch de miskramen zijn er veelvuldig.

Java heeft, behalve zij'ie oorfpronkelijke bewoner;, omtrent 100,000 Chinezen. De Malabaren, die er noj wonen, fchijnen Hechts een overblijffel van eene een, maal veel fterkere volkplanting. Bugi's en Maleijers zijn er in al de voornaamfte zeelieden. S'aven eindelijk, die alleen door de Europeers en de Chinezen gebruikt worden, telt men er ruim 27,000.

De woningen van den Javaanfchen boer zijn doorgaans hechter, en gemakkelijker dan die op het vaste land van bidië, doch zij worden even als deze, en ftrijdig met de inrigting, welke op de omliggende eilanden plaats heeft, gelijks gronds bewoond. Alleen de flaapplaatfen zijn een weinig verheven, doch overigens eenvoudig gelijk het geheele gebouw. De wanden be* Haan doorgaans uit bamboes, en her dak uit lang gras, uit nipa ■ bladen, of uit bambu firap. In de gedaante en in de grootte dezer hutten is verfchil naar de onderfcheidene ligging en naar den toeftand van derzelver bewoners. In de digst bevolkte en meer ontgonnen oostelijke gewesten, waar het meest aan bouwllolFen ontbreekt, woont dé landman bet flechtst en bekrompenst. Men vindt voor de hoofden der huisgezinnen een vertrek afgefcheiden van een ander meer openliggend , waarin zich de kinderen ophouden- Venfters zijn er noch voorhanden noch noodigj het licht dat door