Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 VERKLARING VAN I TIMOTH. III: l6.

is het fondament der waarheid: want derzelver oorfprong, jezus christus, is een ware Goddelijke Gezant geweest (*),

Zij, die een pilaar en vastigheid der waarheid verftaan van timotheus zeiven, openen hier weder een geheel ander tooneel, de woorden aldus zamenvoegende: opdat gij moogt weten (gij, zijnde) een pilaar en vastigheid der waarheid, hoe men in het huis van God moet verkeeren, of: opdat gij moogt weten, hoe men moet verkeer en in het huis van God omtrent u, als eenen pilaar en vastigheid der waarheid. Voor welken vierden naamval omtrent u zij willen, dat men, volgens de gewoonte der Athenienzers, den eerften gij gefchreven hebbe. Van dit gevoelen zijn theodoretus, chilungworth en anderen, door erasmus en wolff aangehaald. Zeker! indien ik dit gevoelen omhelsde, dan zou ik de eerfte woordenfchikking verkiezen. Maar welke leenfpreuk zou dit wezen! Aan timotheus wordt gelast, als aan eenen pilaar, te verkeeren, opdat hij als een pilaar wandele! Welk een ongefchikt en monfterachtig beeld! Zulien wij zulk eene ongewone en figuurlijke uitdrukking verdedigen met j petr. II: 5. Doch Uit deze plaats, waar men geheel anders leest: als levende fieenen gebouwd, niet verkeeren of wandelen, kan dit volftrekt niet worden bewezen.

Er zijn er geweest, welke de woorden: een pilaar en vastigheid tot christus brengen, bijna op deze wijze: een pilaar en vastigheid der waarheid, en buiten twijfel eene groote verborgenheid is hij. d. i. christus, die, enz. Zoo hebben, b, v,, procopius, epiphanjus, enz.

De

(*) Voeg hier bij, dat de Apostel niet fpreekt van de Christelijke Kerk in het algemeen, welke hij met regt: eenen pilaar en vastigheid der waarheid kon noemen, maar van de Efezifche; aan welke dezen lof niet kon worden toegezwaaid, als al te trotsch zijnde. Doch ik beken, dat dit bewijs weinig kracht heeft. De Apostelen zijn gewoon, zoo dikwerf zij van eene bijzondere gemeente fpreken, aan dezelve al de voortreffelijke uitfpraken omtrent de geheele Kerk van God toe te eigenen. Hand. XV: 14—17. 1 Kor. VI: 1. Efez. V: 23, volgg, Kol. II: 19. Hebr. III: 2, volgg, ut, II: ïi. 1 pets. II: 9. en elders Zie staëudLein , fiber d. Begrif. der Kirche und Kirekengefck. In Ciitt. theot. Bibliotk. Theil l. Seite 604.

Sluiten