is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158 kritische historie van het nibelungenlied»

denhoek begrepen worden, dat v. d. hagen heeft begonnen uit te geven.

Het merkwaardigfte verfchijnfel uit den ganfchen kring, m welken wij door eene uit den ouden tijd in onze ooien klinkende ftem der dichtkunst verplaatst worden, is het Nibelungenlied; een heldendicht van höogen, maar.niet te bepalenen, ouderdom, in vierregelige rijmitrpphen bij de rc,ooo dichtregels bevattende, en in 40 avonturen afgedeeld. Naar den inhoud ver. deelt hetzelve, zich in twee helften, waarvan de eerfte ons de liefde en het huwelijk van siegfried met den Horen en chriewhilde, en des helds geweldigen dood en de tweede met vs. 4585 aanvangende, de wraak verhaalt, welke zime gemalin daarvan nam. Het tooneel der eerfte helft is Wórms, hoofdftad van Burnmdte, wur koning gülvther, zoo het fchijnt. met zijne broeders gernot en gisei.her heerschte; en dat der tweede het Hot van den magtigen etzel, tweeden gémaal van chrjemhilde, in Hunsarife. Het gedicht eindigt met den ondergang van her ganfche koninklijke gellacht van Burgundie,.

Deze inhoud verfprcidt geen licht over den naam van Nibelungenlted, en men wordt daaruit ook niet ontwaar, wat men voor het land der Nibelungen te houden hebbe, dat eenigen in de Nederlanden, anderen op een Schotsch eiland, of in Noorwegen, of in Tirol zoeken. Even zeer blijft Ifenland onoekend, en o-ibeflist, of daardoor een ijs- of ijzerland aangeduid worde, en of men daarbij aan Tsfelland, of fstand, of ingeland, te denken hebbe. Het eersfgemeiie blijft voor de geleerden een regt nevelland, en 'men verneemt uit het hed enkel, dat siegfried, koning der Nederlanden, het veroverd heeft, dat zijne krijgslieden den naam van Nibelungen voeren, en dat deze'naam zonder nat men weet waarom, na siëgfrïeds dood, op de Burgundie'rs overgaat. Door deze Burgundiërs wordt men intusfchen in een zeer gedenkwaardig tijdvak der gefchiedenis veiplaatst; namelijk, in dat der groote volksverhuizingen van de eerite dertig jaren der vijfde eeuw. Gewigtig zou derhalve het dichtftuk voor de gefchiedenis zelve kunnen zijn, zoo het dat tijdvak ook bereikte. J

De maker des lieds is ons volfirektelijk onbekend. Volgens bodmer zou het de marner zijn; volgens

AO&-