is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DEN TOEKOMENDEN STAAT, NA DIT LEVEN. $$1

5, de, door de heilige fchrijveren , niets, is nagelaten. Bij voorbeeld van dien jongeling te Naïn, s, die reeds werd uitgedragen, maar door den Zaligmas, ker, weder opgewekt, en aan zijne moeder weder* », gegeven werd. Het dochtertje van jaïrus, en in>, zonderheid van lazarus, die reeds, toen de Zalig», maker hem opwekte, vier dagen in het graf had i, geftaan, dus ook zijne ziel zoo lang van zijn ligs, chaam gefcheiden geweest, en bij de opwekking, s, weder vereenigd, en nog eenige jaren, onder zijne >, vrienden en bekenden, heeft geleefd en verkeerd, j, onder welke vrienden en bekenden, ook zekerlijk, „ van de heilige fchrijveren behooren. Zouden nu de« ze en andere bekenden van lazarus en de an„ dere wederopgewekten, wegens dien tusfehenftaat, „ niets gevraagd hebben? Bij voorbeeld, waar ze in „ dien tusfehentijd van fterven, en wederopwekking, „ waren geweest? Op wat plaats? in welk gezelfchap? ,, welke bewustheid of wat denkbeeld zij in hunne „ affcheiding hadden? Wat al gehoord? wat al gej, zien? welke werkzaamheden? En wat al nieuwsgie» „ rige en belangrijke vragen meerder." Echter vinden Wij, van de zijde der wederopgewekten, geene de min" fte berigten , of beantwoording dezer vermoedelijk Voorgeflelde vragen, van eenen der heilige fchrijveren aangeteekend, of eenig gewag gemaakt. Dit geeft, zoo het mij voorkomt, zeer veel aanleiding tot het vermoeden , dat die wederopgewekten, dien tusfehentijd, van fterven en wederopwekking, als flapende, of in eene volkomene bewusteloosheid, hebben doorgebragt, en dus ook, aan hunne vrienden en bekenden, geene de minfte berigten, wegens dien tusfahenftaat, hebben kunnen geven. Vandaar ook mogelijk, of we! zeer Waarfchijnlijk, dat de heilige fchrijveren , zoo we! de-1 gedane vragen, aan, als de daarop bekomene berigten , van die wederopgewekten, met ftilzwijgen, zijn Voorbij gegaan. Wat de reden dezer ftilzwijgendheid dan ook moge zijn, het geeft, zoo het mij voorkomt, echter eenige aanleiding, tot onderfcheidene twijfelachtige bedenkingen, en eenen grond, voor die wijsgeeren, welke, als zeker, fiellen, dat onze ziel, bij den ^°od, of affcheiding van het grove aardfche ligchaam, alsdan, met eene nog in wezen zijnde, of overblijvende