is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 13

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

598 OVER DE VERDIENSTEN onzer LANDGENOOTEN

nus er zich mede bezig hielden , en eenige ontdekkingen deden, welke veel vermeerderd werden door raijviundus lullius , dien de Encyclopedisten den lof ge' ven, dat zijne Werken, fchoon met oneindig veel fchuim bedekt, echter heden nog zeer belangrijk zijn. Op dezen laten zij den Erfurter monnik basilius vaLENTinos volgen, en dan fpreken zij van isaac en

johan isaac de hollander of hollanders, met welke

zij zeggen onzeker te zijn, of niet basilius valentius, de eer van eenige uitvindingen zou moeten deelen. Indien echter basilius, zoo als zulks hoogst waarfchijn' lijk is, eerst tegen het uiteinde der vijftiende eeuw geleefd heeft, en indien de opgave van grotius in zijne Parallelen, die verzekert dat johan isaac in 1440 leefde, juist is, dan dwalen de Encyclopedie fchrijvers, buiten alle tegenfpraak.

Die Encyclopedisten laten vervolgens dezen isaac en johan isaac den Hollander, uit Stolk, hetwelk zij €en klein ftedeke in Holland noemen, geboren worden, en voegen er dan bij, dat fommige hen voor vader en zoon houden, doch andere, voor een en denzelfden perjfoon; dat stahl en meer latere chemici van hen met grooten lof melding maken, en hunlieder ichriften hoogelijk roemen; dat deze Hollanders bijzonderlijk op de metalen gewerkt hebben, en dat men aar, hen de daartoe aangewende wêêrkaatfing der vlam moet dankweten, dat eindelijk de vermaarde paracelsus een groot gedeelte zijner chemifche kundigheden, vooral zijne beroemde leerftelling der drie beginfelen, aan hen verfchuldigd is.— Paracelsus, deze vermaarde Zwit* fer, die in de eerfte helft der zestiende eeuw, nog geene 50 jaren oud reeds overleed , offchoon hij beloofd had, nimmer of vast zeer oud te zullen ten grave dalen, zeggen de Encyclopedisten, dat, en als voortzetter dier leerftelling, en door zijne floutmoedige woelingen in de chemie dezelfde omwentelingen heeft te wege gebragt als aristoteles in de wijsbegeerte; het is echter zonderbaar, dat boerhave , van wien men zou verwacht hebben, dat hij, ter eere van zijn vaderland en van de fcheikunde, iets meer omtrent deze eerJte luchters der chemie zou gezegd hebben, hen wel in zijne Elementa meermalen aanhaalt, doch in de gefchiedenis dier wetenfchap, welke het fystematisch gedeelte vooraf gaat, niets anders van hen zegt, dan dat

«I