is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WANDELING NAAR HET GRAF VAN MIJNEN VADER,

ach! hier rustte ook het Hoffelijk overfchot van hem, #an wien ik, naast God, mijn leven verfchuldigd ben; wien ik zoo veel van mijne geringe kunde, van mijne gebrekkige deugd te danken heb. —— Verwonder U dus niet, mijn vriend! dat deze kerk mij dierbaar is, en dat ik zulk eene groote waudeliug ondernam, om dezelve te zien.

Maar — welke verandering zag ik ook hier! — Ook deze kerk lag bijna geheel verwoest. Slechts een gedeelte der hooge dikke muren, en een klein gedeelte van het hooge dak ftond nog over einde ; doch tchenen

ieder oogenblik te zullen inftorten. O welk eene

verwoesting! welke verandering! — Huivering, onwillige droefheid beltormden, terwijl ik deze ' kerk op eenen kleinen afttand befchouwde, mijn hart!

Nooit" — zoo fprak ik bij mij zeiven — „ nooit zult gij weêr herbouwd worden. Nooit zal het eenvoudig fciioon en zaligmakend Evangelie in u meer worden verkondigd. Nimmer zal men in u, even als in vorige dagen, God weêr dienen in geest en in waarheid ! " Welke akeiige gedachten voor my!! -—. ,, Maar" — zoo dacht ik verder — „ wordt deze kerk eens herbouwd, dan zal beeldendienst in dezelve gepleegd, bijgeloof in dezelve gepredikt worden; dan zal men in dezelve, waar voorheen algemeene menfchenliefde werd verkondigd, de belijders van mijnen Godsdienst verketteren, verdoemen en vervloeken. Doch

geen nood - hier beftraalde mij een glans, als ware het, van zalige vooruitzigten — geen nood! fchoon het rijk der waarheid in deze kerk aks vernietigd is, het zal echter niet overal worden vernietigd. God waakt een-

wig voor hetzelve. Eens — p zalig vooruit-

zigt — eens wordt ook hier het ongeloof en bijgeloof uitgeroeid; eens houdt ook hier menfchenhaat en ver. kettering op; eens ook zal algemeene menfchenmin en broederliefde, die band der volmaaktheid, hier zegevieren.

Onder deze, deels treurige, deels opbeurende, gedachten trad ik het eenzaam kerkhof op. Met eenige vrees, en voorzigtig trad ik over de nedergeftorre bouwvallen, het nog gedeeltelijk overgebleven koor dezer, weleer zeer groote en fchoone kerk binnen. Huiverig zettede ik mijnen voet in hetzelve, dewijl de nog ftaande muren en het dak, waardoor overal de wind luisde, Da al-