is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 2

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WANDELING NAAR. HET GRAP VAN MIJNEN VADER» 53

denkelijk de grootfte helft van het leven, hetwelk mij fiusfchien nog zal vergund worden, bereikt. Zal ik dan, wanneer ik Sterven zal, ook rijp wezen voor den dood, voor de eeuwigheid? Gewigtige, allergewigtigfïè vraag voor mij! ja zelfs voor eiken Sterveling}.! —— En mijn hart boezemde thans, onder het midden der begravenen, met het opregtfte gevoel deze bede uit: „ Leer mij, o God! mijne dagen tellen, opdat ik een „ wijs hart moge bekomen!" Deze bede, zoo geheel uit het hart, in de verblijfplaatfen des doods uitgeboezemd, gaf eene ernftige kalmte aan mijne ziel. —

Nu zonk inijn blik weêr op het graf van mijnen bra-< ven, mij altijd dierbaren, vader! — Nu herinnerde ik. mij met kinderlijke aandoening: hoe ik dien deugdzamer!

man in het graf had zien zinken. Hoe ik met

mijne broeders, welke, helaas! ook niet meer zijn,. Hechts één is voor mij overgebleven, ftom, Sprakeloos, weenend daar bij het graf Stond! hoe wij allen in ons hart wenscliten, dat de zalige nog leven mogt, l'choon wij hem zijne zaligheid niet misgunden, en wij, het voorregt hadden genoten, dat een hooge ouderdom door hem bereikt was. —. Toen — ach! toen

zoo geheel hielden ons de gedachten aan den geftorvenen bezig — dacht niemand van ons, dat ook de dood ons zoo Schielijk van elkander fcheiden zou. — Hoe on« zeker is ons leven! — Sprakeloos zagen wij den bra« ven man begraven — Sprakeloos Stonden wij bij zijn graf — Sprakeloos keerden wij van hetzelve terug,, en ... . bij het graf geknield, dacht ik nog met Smart, maar met een (til en eerbiedig berusten in' Gods wil, aan die, nimmer door mij te vergetene oogenblik* ken. —- Nu, meer bedaard, dankte ik den goeden Vader der menfehen met geheel mijn hart: dat ik zoo lang mijnen braven vader had mogen behouden; dat, door zijn onderwijs en voorbeeld, mijne geringe kunde veel vermeerderd, dat mijn hart doorhem verbeterd, en tot ongeveinsde Christendeugd opgeleid was

Nog zat ik, mijn vriend! geknield bij het mij dierhaar graf, en ik Stelde mij voor, dat ik ook eens, wanneer ik, als een waar , nederig en ongeveinsd Christen, in het geloof aan, en naar het voorbeeld van den Verlosfer der menfehen, mijne dagen affleet, mijnen vader daar zou wederzien , waar nameloos geluk genoten wordt in de zalige verblijfplaatfen der onfterfe• D 3 lijk-