Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER HET LICHTEN VAN DE ZEE. 59

gedaante gezien, wanneer zij niet verontrust wordt; ge. ftoord of in beweging gebragt, zwemt dezelve in de warme deelen van den oceaan rond, als een lange vurige draad of ketting, en de fnoeren van lichtbolletjes , die den heelmeester langstaf aan zijne hand blevï n hangen, behoorden veeleer tot dit falpen~licht, dan to>t het klompje, dat de heer macartney medufa fcintil'lans genoemd heeft. Ik kan het licht, dat zich hier en daar over de geheele oppervlakte der zee uitbreidt, mot met den heer tuckey roefchrijven aan eene opgeloste flijmige zelfftandigheid, die licht uitgeven zou op de wijze van den phosphorus. Licht komt Hechts vaiu leven voort, en het leven is ftrijdig tegen alle oplos fing, vernietiging en rotting. Beziet men de pyrofo • ma's, en de op zee drijvende kuit van de medujd's en van de kreeften van nader bij of onder het mikroskoop, dan vindt men dat dezelve, hoezeer op het eerfte aan zien in flijmklompen gehuld fchijnende, niet anders zijn dan bijzondere jeleibolletjes en embryons, die alle in hun element leven, en licht uitfchieten, hetwelk on;s alleen door den naauwen zamenhang, die er tusfcheji die bolletjes plaats heeft, als phosphorus fchijnfe l voorkomt. Dat fommige visfchen, wanneer zij dooii zijn, eenig fchijnfel kunnen geven, wil ik niet ontken nen; doch hetzelve is zekerlijk al te flaauw, en te veel gelijkende naar dat van rottend hout, dan dat men het onder het eigenlijke zoogenoemde lichten der zee re kenen kan. Ik ken ook, even zoo min, als de heer macartney, een eigenlijk zeelicht van levende vis.fchen; want de zilver- of fpiegeiende glans, dien vei.fcheidene visfchen, en bepaaldelijk alle haringen bezit ten, is geheel iets anders. Onder de vliegende vilifchen is de vliegende haring de eenige, die zulk eenen witten glans bij zijne vlugt zien laat, en dien profejifor smith , de reismakker van den heer tuckey, terwijl hij dezelve gedurig in geheele verzamelingen om het fchip zag, vergeleek bij het maanlicht, dat van c'le zee terug gekaatst wordt. Of evenwel niet de kuit van fommige visfchen hier en daar bijdraagt, tot het lichten van den oceaan, is mij, naar hetgeen, wat de heer steller bij zijn veeljarig verblijf op Kamfchatka meent waargenomen te hebben, nog twijfelachtig.

De grootte, in welke zich het licht van de zeefchepfels voordoet, is in het algemeen zeer verfchil-

lend y

Sluiten