is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPLEIDING VAN DE ZEEOFFICIEREN.

399

Dat er zoo veel mogelijk rekening werd gehouden met bestaande toestanden, waarvoor uit een cultuur-historisch oogpunt ook wat te zeggen is.

E. Kempe.

EEN WENSCH UIT HET KORPS MARINIERS.

Toen korten tijd geleden het gewijzigde 7e Hoofdstuk van het le Deel der , Verordeningen voor de Koninklijke Nederlandsche Zeemacht", bevattende uniformen en onderscheidingsteekenen voor het personeel der zeemacht ons bereikte, trok het veler aandacht, dat daarin voor de officieren van het korps mariniers geen gemakkelijke jas voor het scheepsleven in de tropen was opgenomen.

Alle officieren der marine, van welken tak van dienst ook, behalve die der mariniers, hebben een jas, oorspronkelijk voor de tropen bestemd, die daar zoo practisch bevonden werd, dat zij nu zelfs voor Europa is voorgeschreven geworden. Ook de onderofficieren der zeemacht, die der mariniers en ook de ongegradueerde mariniers bezitten een gemakkelijke en practische tenue wat de jas of de tunique betreft.

Alleen de officieren der mariniers zijn verplicht de jas, voor hen voor Europa ontworpen, in Indië, zoowel aan boord als op expeditie te dragen.

Dat ook voor deze laatsten een veldtenue wenschelijk is, zal waarschijnlijk geen betoog behoeven, wanneer men in de geschiedenis der mariniers zelve een blik slaat of eens een kijkje neemt bij de officieren van het Indische leger; want toen de mariniers in de jaren 1874—76 bij de landmacht op Atjeh gedetacheerd waren, droegen de officieren een tenue, practisch voor den velddienst, doch geheel afwijkende van de gewone uniformjas, wel een bewijs, dat de laatste voor die diensten minder geschikt werd geacht.

Bij het Indische leger bestaat voor de officieren de zoogenaamde Atjeh-jas, in vorm nagenoeg overeenkomende met de tunique der mariniers, die door hen te velde gedragen wordt.

Hieruit blijkt dus ook, dat hun gewone uniformjas, ongeveer gelijk aan die der officieren van de mariniers, voor veldgebruik ondoelmatig werd geacht, waarom een meer gemakkelijk kleedingstuk werd ingevoerd.

Wij zouden het zeer zeker hoogst aangenaam vinden, wanneer ook voor ons een jas werd voorgeschreven, eenvoudig en practisch, beantwoordende aan de eenvoudigste eischen, die we ons kunnen voorstellen.

Deze eischen zouden volgens mij de volgende zijn: le. De jas moet zijn van zoodanig model, dat zij geen enkele beweging belemmert.

Zoo stel ik mij voor, dat de vorm der marinierstunique,