is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN VADERLANDSCH FONDS VOOE DE ZEEMACHT.

607

Art 4 Onder zwaar verminkten worden verstaan de zoodani«en, die' door hunne verminking ongeschikt zijn geworden, eenigen arbeid te verrichten. Onder verminkten worden verstaan de zoodamgen die, ofschoon aan eenig lichaamsdeel ernstig verminkt, evenwel in staat zijn, gedeeltelijk in hun onderhoud te voorzien.

Eene lichte verminking, geene ongeschiktheid tot arbeid teweeg brengende, wordt in den zin van dit Reglement voor geene verminking gehouden. .1*1

Commissarissen bepalen de klasse, waartoe de verminkte behoort.

Art. 5. Het feit der verminking of van het sneuvelen zal moeten worden bewezen door den Staat van Dienst.

Art 6 Ouders, of een van beide, van gesneuvelde ongehuwde zeelieden, kunnen dan alleen in de ondersteuning worden opgenomen, wanneer de gesneuvelde in hun onderhoud voorzag.

Art. 7. De gratificatiën zijn aldus vastgesteld, behoudens de bepaling van artikel 15.

le klasse: weduwen van gesneuvelden:

per jaar.

Voor een officier van welken rang ook ƒ 300.—

„ „ onderofficier boven den rang van sergeant - 240.— „ „ onderofficier den rang van sergeant of korporaal hebbende " 180.

» ■ matroos of marinier " 1^0.

2e klasse: zwaar verminkten:

Voor een officier van welken rang ook - 300.

„ onderofficier boven den rang van sergeant - 240.— „ » onderofficier den rang van sergeant of korporaal hebbende ■ 180.

„ matroos of marinier - 150.

3e klasse: verminkten:

Voor een officier van welken rang ook - 150.—

„ , onderofficier boven den rang van sergeant - 120.— „ „ onderofficier den rang van sergeant of korporaal hebbende - 90.

, „ matroos of marinier - "0.—

4e klasse: ouders, oj een van beide van gesneuvelde zeelieden:

Voor een officier van welken rang ook - 150.

,, » onderofficier boven den rang van sergeant - 110.— » , onderofficier den rang van sergeant of korporaal hebbende - 90.

„ ,, matroos of marinier - '5-

Art. 8. Wettige kinderen van gesneuvelden kunnen tot en met hun zestiende jaar een onderstandspenning voor hunne opleiding ontvangen, waarvan het bedrag naar gelang der omstandigheden door commissarissen wordt vastgesteld,