is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

398

uit debegrootin'Ï van nederlandsch-indië

„Bij het hiervoren uiteengezette meeningsverschil was de Commissie echter eenstemmig in haar oordeel, dat, wanneer het aan Uwe Majesteit uit te brengen verslag adviezen bevatte van mteenloopende richting en strekking, er het natuurlijk gevolg van zou zijn dat de tegenwoordige toestanden en verhoudingen, waarvan haar al het nadeelige voor 's lands dienst uit de veeljarige briefwisseling was gebleken, zouden blijven voortduren.

„Die bestendiging vóór alles te voorkomen was dan ook het ernstio- streven der Commissie", enz. _

Die noodzakelijkheid is dan ook door de Regeenng erkend, doch ofschoon het door de commissie uitgebracht advies dateert van '>0 April 1891, is men ook blijkens de Memorie van Antwoord op Se nu in behandeling zijnde begrooting over de te treffen nieuwe regeling het nog niet eens geworden en heeft nog steeds overleg dienaangaande plaats. .

Bestaat er dus alle aanleiding op eene spoedige beslissing aan te dringen, van te meer belang is dit nu er zulke groote belangen van de Nederlandsche zeemacht direct mede gemoeid zijn, als waarop ik in den aanvang wees.

Dat deze aangelegenheid niet behoeft te wachten op eene principieele beslissing omtrent de verhouding van de Indische financiën tot die van het Rijk, waaraan de Minister van Dedem ze had vastgeknoopt, meen ik dat uit het voorafgaande overzicht der zaak voldoende blijkt. . ,

Wat mij zelf betreft, meen ik dat de beste oplossing zoude zijn in hoofdzaak terug te keeren tot de regeling, die vanaf 184; tot 'aan de invoering van het besluit van 1866 heeft gewerkt, nameliik de Nederlandsche marine te doen bezorgen de scheepsmacht voor Indië benoodigd, en aan Indië te doen dragen de kosten aan het onderhouden dier scheepsmacht verbonden, zoolang zij onrter het opperbevel van den Gouverneur-Generaal staat, met dien verstande natuurlijk, dat de samenstelling en sterkte dier scheepsmacht, in onderling overleg van de betrokken Departementen werd vastgesteld en deze zooveel mogelijk worde onttrokken aan de wisselende inzichten van elkander opvolgende Ministers van Marine en Koloniën en van Indische autoriteiten. Eene dergelijke regeling komt mij de eenige inderdaad rationeele voor.

De bezwaren die zich destijds daarbij voordeden, behoeven onder de veranderde omstandigheden niet meer te worden gevreesd. Men denke in de eerste plaats aan de vaststelling van de Indische begrooting bij de wet, die meer toezicht waarborgt, en de opening van het Suezkanaal, die de bezwaren van het voorzien in deVhoefte aan kleine schepen uit Nederland grootendeels

^^Irle^rrarborgen kan men vinden, door bij het vaststellen der scheepsmacht voor Indië tevens aan te geven, welk materieel _ zoo aan groote als kleine schepen - aanwezig moet zijn om voortdurend eene goede samenstelling der bedoelde scheepsmacht te verzekeren en daaraan in buitengewone omstandigheden de gevorderde uitbreiding; te geven. ...

Voorts kan men, ter voorkoming dat Indië z1Ch grootere uit-