is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

583

materieel, de kosten der nieuwe schepen en het door den Minister op den voorgrond gestelde cijfer van 3y3 millioen.

Wij zullen dus wel doen, dit laatste, onder benefice van voorbehoud, aan te nemen. En ik meen dat wij dit met eenige gerustheid kunnen doen, 3% millioen representeert, gerekend op eene jaarlijksche deprecatie van 4 °/o a 5 °/0, eene kapitaalswaarde van de vloot (buiten de schepen der I. M. M.) van 70 a 80 millioen. De tegenwoordige bedraagt, volgens eene door mij, indertijd gemaakte berekening pl. m. 57 millioen, terwijl de meerdere kostbaarheid van het materieel reeds ten gevolge heeft, dat de som destijds door mij voor de groote schepen waaruit het auxiliair eskader is samengesteld, uitgetrokken met een 7-tal millioenen zal moeten worden verhoogd (de kosten van de in de laatste jaren gebouwde of op stapel gezette schepen als grondslag nemende), terwijl ook het nieuw aan te schaffen defensie-materieel, torpedobooten inbegrepen, ongetwijfeld een niet onbelangrijk grooter waarde zal vertegenwoordigen.

Wat nu de tweede vraag betreft, zoo valt uit de door den Minister verstrekte gegevens af te leiden, dat, wil men het materieel in een redelijken tijd in een voldoenden toestand zien gebracht, in den eersten tijd zeer zeker met geen minder bedrag dan 5 millioen 's jaars kan worden volstaan.

Er zal dus in eene jaarlijksche extra uitgave van iy2 millioen voor nieuwen aanbouw zijn te voorzien.

De vraag rijst nu, op welke wijze dit zal moeten geschieden.

De Minister wendde daartoe in de eerste plaats zijn blik naar Indië. En te verwonderen is het niet, daar het in confesso is, ik stelde dit onderanderen bij de behandeling der Indische begrooting in het licht, dat Indië sedert 1868 te weinig in de kosten der zeemacht heeft bijgedragen. Maar al is het billijk, dat Indië voor den vervolge een grooter aandeel voor het onderhouden der scheepsmacht in Nederlandsch-Indië bijbrengt, het komt mij voor, dat het toch niet aangaat voor zulk een groot bedrag, als de Minister doet, bijna 11 ton uit de bijdragen van de Indische kas te rekenen. De Minister beroept zich ter zake op de voorstellen der Staatscommissie van 1889. Maar hij vergete niet, dat bij de leden dier Commissie de noodzakelijkheid eener wijziging voor de samenstelling der scheepsmacht vast stond en deze, bij het ontwerpen van het voorgesteld concept-Koninklijk besluit voor de oogen stond.

Mij komt het, vooralsnog, het meest aannemelijke voor, dat in de behoefte worde voorzien op de wijze, door den geachten afgevaardigde uit Amsterdam, den heer Rütgers van Rozenburg, hier in de Kamer zoo menigmaal voorgestaan, en door de Regeering ten aanzien van de aanschaffing der nieuwe geweren in uitzicht gesteld, nl. door eene leening met aflossing op betrekkelijk korten termijn.

Doch hoe dit zij, een buitengewone maatregel wordt gevorderd, waar het niet aangaat, welke fouten ook vroeger werden begaan, deze extra uitgaven, die, onder normale omstandigheden,

M. '95-'96. . 37