is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SLAG BIJ DE YALU EN ZIJNE GEVOLGEN.

5

Wat de zware artillerie betreft, daaraan schijnt gedurende den vrede weinig zorg besteed te zijn en evenmin schijnt er genoeg mee geëxerceerd te zijn. Bij de Yalu kon men gemiddeld slechts één schot per uur doen; met de sluitstukken der kanonnen had men vrij wat moeite. Later in den oorlog verbeterde de toestand, en de beter geoefende Japaneezen hadden veel voldoening van deze stukken in de operatiën tegen de Pescadores.

Het is niet zonder nut hier te wijzen op de noodzakelijkheid om aan het onderhoud eener vloot zoodanige sommen te besteden, dat op het oogenblik eener oorlogsverklaring de meeste schepen niet de snelheid verloren hebben, die men hun met groote kosten heeft gegeven. Wij zullen later op dit onderwerp terugkomen, doch wij wenschen te constateeren, dat eene marine, die hare millioenen niet nutteloos wil verspillen, hare werven zoodanig moet inrichten, dat zelfs in vredestijd de reparation en verwisseling van ketels in den kortst mogelijken tijd worden uitgevoerd. Het zou gemakkelijk zijn aan te toonen, dat in deze het spreekwoord tijd is geld bijzonder toepasselijk is. l)

Aangezien het zeegevecht bij de Yalu vooral een artilleriegevecht is geweest, is het goed de samenstelling van de artillerie der beide vloten hier te resumeeren.

De Chineezen hadden: 25 kanonnen van zwaar kaliber.

29 » „ middelbaar kaliber, waarvan 14 snelvuur.

131 „ „ klein kaliber, waarvan 81 mitrailleuses.

185 vuurmonden. De Japaneezen hadden: 13 kanonnen van zwaar kaliber.

91 „ „ middelbaar kaliber, waarvan minstens 67

snelvuur.

146 „ „ klein kaliber, waarvan 54 mitrailleuses.

250 vuurmonden.

Van het oogenblik af, dat de strijd begon tusschen schepen, die slechts weinig beschermd en wat dekking betreft van ongeveer gelijke waarde waren, moest de overwinning zijn aan den kant van die partij, die de middelen bezat om in den kortsten tijd de grootste massa projectielen op haar tegenpartij te werpen. Onafhankelijk van elke andere oorzaak, kon de zegepraal der Japaneezen niet twijfelachtig zijn.

1) Indien men de ketels van 10 pantserschepen elke 10 jaar verwisselt, dus één vernieuwing per jaar, en indien elke ketelvernieuwing 1 jaar duurt, zal de waarde der vloot slechts uit 9 pantsersehepen bestaan; kan die verwisseling in 6 maanden plaats hebben, dan wordt die waarde 9.5 en, geschiedt zij in 3 maanden, 9.7. Om dus altijd 10 pantserschepen beschikbaar te hebben, moet men in het le geval 11, 11 in'het derde 10.3 schepen hebben, dus een voordeel van 0.8 pantserschip, in waarde dus 24 millioen fr. Door deze opmerking komt het groote voordeel van pijpketels, Belleville, Niclausse, die bij gedeelten vernieuwd kunnen worden, boven gewone ketels, waarvoor het dek moet worden opgebroken, duidelijk uit. Uit een financieel oogpunt beschouwd zijn deze dure pijpketels dus goedkooper dan andere ketels.