is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348 OVER HET OMGAAN MET TORPEDOBOOTEN IN HOOGE ZEE.

dighedeu golf profielen, die eindigen in branding. Hier bereikt de° trochoïdaalsnelheid in het oogenblik van het overstorten haar maximum, daar ze gelijk aan de halve golfsnelheid wordt.

De afname der golfsnelheid op ondiep water heeft een verandering in de richting der golven ten gevolge, als die richting niet parallel is met de dieptelijnen en wel in dien zin, dat ze de golven naar het strand toebuigt. Zoo komt het. dat de strandbranding steeds evenwijdig aan de kustlijn is. Om dezelfde reden vindt men achter banken dikwijls een onregelmatige verwarde zee.

Deze omstandigheden komen des te meer uit, hoe sneller de waterdiepte afneemt en hoe -grootere strekking de zee te voren doorloopen heeft. Loopt de stroom tegen de zee in, dan ontstaat een dergelijke verandering in de golfbeweging, als in ondiep water. Daarom doet men bij hooge zee goed, zoo mogelijk met den stroom mede een riviermond in te loopen.

Bij deze beschouwingen der verschijnselen in door storm bewogen wateren sluit zich eenig onderzoek naar de zeewaardigheid onzer torpedobooten aan.

De hechtheid is zeer voldoende, ja, als men alleen met getallen te rade gaat, dan schijnt ze grooter dan die der schepen.

Terwijl b.v. de maximaalkracht op het langsverband van de „Kaiserin Augusta" uitgeoefend 17 KG. per cM3. bedraagt, overtreft die bij onze booten nog geen 10 KG. per cM2. De berekeningen, waaruit deze getallen afgeleid zijn, veronderstellen slechts den toestand van rust van hot vaartuig, dat met het midden deilengte in een golfdal, of wel op een golfberg ligt. De krachten, welke de soliditeit van het langsverband van het schip bij overgang uit een dier toestanden in de andere op de proef stellen bij werkelijk hooge zee, zijn voor geen berekening vatbaar. Het staat echter vast, dat deze bewegingen bij een torpedoboot onevenredig heviger en plotselinger zijn dan die bij een groot schip, en dat de grootere stevigheid van den romp van een torpedoboot een noodzakelijk vereischte is.

De stabiliteit onzer torpedobooten is verschillend, maar bij alle minstens voldoende. De metacenterhoogte bij volle toerusting bedraagt b.v. bij de serie S 58—65, + 420 mM., bij S 42—57, ±430 mM., bij S 67—73 + 490 mM., bij S 7—22 + 510 mM., bij S 1 — 6 zelfs meer dan 600 mM. Wil men hier weder eene vergelijking maken met overeenkomstige gegevens onzer groote schepen, dan zal men vinden dat ze in het algemeen grootere hoogten aanwijzen. De verhoudingen zijn hier echter ook te vergelijken, maar eerder komen de volgende gezichtspunten in aanmerking. Een kleiner vaartuig zal ten gevolge van zijne geringere onwrikbaarheid aan eene buigende kracht eerder toegeven dan een grooter, zoodat het uit dezen grond gewenscht ware het een grootere stabiliteit te geven, van den anderen kant komt de geringe onwrikbaarheid liet in zooverre weder ten goede, dat de oprichtingskracht de shngerkracht van het overhellende vaartuig weder gemakkelijk overwint. Bij den wensch, de stabiliteit zoo groot mogelijk te maken, worden er grenzen gesteld door de overige eischen, waaraan de constructie