is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

memorie van antwoord.

£83

eskader. Immers, terwijl dit eskader sedert 187G samengesteld was, deels uit kruisers, deels uit pantserschepen, wenschte de Minister Jansen het alleen uit pantserschepen, met 1 aviso-éclaireur en 5 torpedobooten te zien samengesteld, terwijl de ondergeteekende dit eskader enkel uit kruisers wil doen bestaan.

Hierbij valt echter op te merken dat, onder de werking van het Koninklijk besluit van 16 November 1866 n°. 80, aan de schepen van het auxiliair eskader uiteenloopender eischen moesten worden gesteld dan onder de werking van het Koninklijk besluit van 27 Juli 1896 (Staatsblad n°. 141) het geval zal zijn, want, in verband met art. 2, sub c, van laatstgenoemd Koninklijk besluit behoeft thans bij het ontwerpen van schepen voor het auxiliair eskader geene rekening meer gehouden te worden met den eisch van geschiktheid voor plaatselijke verdediging. Het smaldeel van de Nederlandsche zeemacht is losgemaakt van de verdediging van havens en reeden (Zie bladz. 35 Memorie van Beantwoording op het Voorloopig Verslag over de Indische begrooting voor 1895 en bladz. 22 van de Memorie van Toelichting op de Indische begrooting voor 1897). De schepen, waaruit het bestaat, behoeven in den vervolge alleen geschiktheid te hebben voor de diensten van meer algemeenen aard.

Deze diensten zijn in de Memorie van Toelichting, bladz. 2, nader omschreven, terwijl omtrent de vredesdiensten, als niet verschillende met die welke immer door alle categorieën van schepen in den Archipel bewezen zijn, de noodige bekendheid kan worden verondersteld.

Eenige leden nu meenden dat, bij meer beperkten werkkring in Oost-Indië, met minder materieel zoude kunnen worden volstaan. Ondergeteekende erkent gaarne de juistheid dezer opmerking, aangezien het materieel berekend is naar den werkkring.

De vraag is derhalve of de werkkring zoude beperkt kunnen worden.

Hier geldt het reeds vroeger aangevoerde betreffende sterkte van materieel, dat wij uit onbekendheid met alle omstandigheden waarin wij geraken kunnen, niet met mathematische juistheid de eischen van den dienst, d. i. de werkkring, kunnen bepalen. Voor zooveel den vredestijd betreft is evenwel rekening gehouden met onze ondervinding sedert de toepassing van den stoom, met de zich sieeds uitbreidende bestuurstaak en met de voordeelen van het telegraafnet en de particuliere stoomvaartverbindingen. Eene andere verhouding van het getal groote en kleine schepen, bij behoud van nagenoeg dezelfde sterkte van personeel, was daarvan het gevolg. Hieruit moge blijken dat de vooronderstelde werkkring in vredestijd, als op ervaring gegrond, niet voor inkrimping vatbaar is.

Voor de diensten in tijden van oorlog, hetzij wij daarin zelf betrokken zijn of niet, kunnen wij niet met de ervaring te rade gaan. Bij de vaststelling van het daarvoor noodige materieel heeft de ondergeteekende zich ook hier op het standpunt geplaatst dat het van het hoogste belang is een oorlog te voorkomen. Eene beschouwing van de handelswegen, die door onzen Archipel voeren ;