is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

728

marinebegrooting voor het dienstjaar 1897.

gegaan. In weerwil van die de scheepvaart altijd aangename voorspiegelingen roepen de Kamers van koophandel te Amsterdam en Rotterdam: geef ons stoomloodswezen. Mijnheer de Voorzitter! dit teekent. Geene kracht is bestand tegen de evidentie. Het invoeren van stoomloodswezen is voor mij eene quaestie van tijd en ik aarzel niet te zeggen: van zeer korten tijd.

De heer E. Smidt : Ik zal niet spreken over de door den heer Plate behandelde vervanging van zeilvaart door stoomvaart bij den loodsdienst, maar ik wensch eene vraag te doen en eene opmerking te maken naar aanleiding van het rapport van de commissie, die belast is geweest met de samenstelling van gewijzigde tarieven van loodsgelden. Ik zal den inhoud van het rapport niet bespreken; die inhoud zon mij bijzonder interesseeren, wanneer de opdracht aan de commissie gegeven ruimer ware geweest, terwijl zij mij nu, bij de zeer beperkte opdracht, vrij wel niets interesseert.

Ik zal om die reden ook niet spreken over de door sommigen gewenschte regeling van de heffing der loodsgelden naar den tonneninhoud van de schepen. Het allerbeste ware, naar mijne meening, dat de Minister aan de commissie eene nieuwe en zoo ruim mogelijke opdracht gaf, om, zonder eenigszins gebonden te zijn en op ruime schaal, in zake eene nieuwe regeling der heffing van loodsgelden van advies te dienen.

Wanneer de Regeering aan dien aandrang geen gevolg mocht willen geven, heb ik subsidiair een verzoek te doen. Waar de Regeering in de Memorie van Antwoord zegt: „het rapport en de adviezen zijn alsnog bij de Regeering in overweging", hoop ik dat zij aan het stelsel van heffing van loodsgelden naar tonneninhoud hare aandacht zal schenken. Ik meen dat eene dergelijke vraag thans nog tijdig wordt gedaan.

De Minister heeft adviezen ingewonnen van de Kamers van koophandel te Delfzijl, Groningen, Harlingen, den Helder, Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen. Ik maak uit de opmerking in de Memorie van Antwoord, dat die adviezen ontvangen zijn, op, dat geene adviezen zijn gevraagd van andere Kamers. Mocht ik mij vergissen, dan zou de opmerking die ik heb te maken, onjuist zijn. Ik zou aan den Minister willen vragen naar welken regel, volgens welken gedachtengang de adviezen van bepaalde Kamers van koophandel worden gevraagd. Het betreft hier niet eene zaak van belang louter voor de zeesteden of voor plaatsen in directe verbinding met de zee, maar een algemeen handelsbelang van Nederland; van de reeders en assuradeurs die over het geheele land zijn verspreid; voorts van een ieder die bij geringe transportkosten gebaat wordt.

Met het oog daarop zou ik de Regeering willen vragen om, indien werkelijk alle Kamers van koophandel in deze aangelegenheid niet zijn gehoord, zulks alsnog te doen, alvorens zij in deze eene definitieve regeling treft.

De heer Guyot: Mijnheer de Voorzitter! Op de quaestie van