is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

798

OPLEIDING TOT MATROOS EN TOT ONDEROFFICIER.

weg Z.H.E.G. in wil slaan om de feilen, boven aangegeven, teverbeteren en om bovendien kwartiermeesters en matrozen op te leiden, die aan de zeer veranderde eischen voldoen, zooals zij zijn neergelegd o. a. in de proeven voor matroos 2de en lBte klasse, kanonnier 2de klasse enz. en die toch wel niemand zal wraken.

Uit de zekere voorliefde, waarmee de schrijver op den voorgrond stelt dat hij op oorlogsschepen 10 maal den Zuiderkeerkring in den Atlantischen Oceaan sneed, zoude men geneigd zijn de gevolgtrekking te maken dat Z.H.E.G. zich sterk aangetrokken gevoelde tot de poëzie van zeilreizen en als zoodanig matrozen wilde kweeken van den ouden tijd, flinke menschen, die echter weinig van een koopvaardijmatroos verschilden.

Aan den anderen kant komt de schrijver telkens terug op het — naar zijne meeniug — verminderd theoretisch onderwijs bij de nieuwe opleiding en hecht Z.H.E.G. blijkbaar bijzonder groote waarde aan verstandelijke ontwikkeling.

Ik herhaal, het is moeilijk uit te maken wat de schrijver wil, daar het toch wel niet alleen te doen zal zijn om zoogenaamd af te tuigen.

Ik geloof echter dat in deze het: .onbekend maakt onbemind" van toepassing is, waarom het mij vergund zij een beeld te ontwerpen van de tegenwoordige opleiding, waardoor misschien eene gunstiger meening zal kunnen ontstaan dan in het bewuste artikel doorstraalt.

Op den voorgrond zij gesteld dat menig ongunstig oordeel over de tegenwoordige opleiding ware voorkomen, indien zij een half jaar later een aanvang hadde genomen, periode waarin men tijd gevonden zoude hebben om de «Nautilus" beter geschikt te maken voor hare veranderde bestemming — wat nu na afloop van den eersten kruistocht is geschied — en waarin de «Buffel" tot logementschip had kunnen worden ingericht.

Dat dit niet is geschied — om mij onbekende redenen — heeft echter slechts inconveniënten van tijdelijken aard medegebracht, waarin zoo goed mogelijk is voorzien, doch gaan wij nu na wat de Cursus 1895—'96 heeft opgeleverd.

De „Nautilus" was toen goed in orde, keurig nette, nieuwe dekken, een met slecht weer ook nagenoeg steeds droge kuil, vooruit een overdekte bak, waar het geheele wachtsvolk bij buien onder kon schuilen en eene instructie, die den Commandant volkomen vrijheid tot handelen gaf, ook wanneer hij het noodig oordeelde op eene veilige reede beter weer af te wachten, zich te laten sleepen als anderszins.

5 October 1895 wordt de «Nautilus" — o. a. bemand met 135 jongens — naar het baken van de Pieter gesleept, wacht aldaar eene bezeilde gelegenheid en kiest, nadat de wind gunstig is, 8 October zee. Op den AM van dien dag krijgt zij reeds slecht weer in de Noordzee. Had men nu eene zeer geoefende equipage gehad, dan waren wellicht de zeilen iets langer blijven staan, doch nu gebood goede zeemanschap om wat vroeger te gaan bijliggen, doch wat nood! niemand a/b. heeft dan ook ingezien dat het schip in eene gevaarlijke positie was.