is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

804 OPLEIDING TOT MATROOS EN TOT ONDEROFFICIER.

ze zitten niet diep". Ten eerste is het militaire geen eigenschap van den volksaard, maar ten tweede is het betrekkelijk nieuw bij onze zeemacht en slechts langzaam zullen de thans gestelde eischen door alle rangen van de marine baan breken ; dit zoude echter bij elke opleiding het geval zijn.

Vergete men daarbij niet, dat na het verlaten van welke opleiding ook, de leerling die dan de maatschappij intreedt nog behoefte heeft aan eenige steun en leiding, en dit heeft zeer zeker de jeugdige zeeman zeer hard van noode, meer dan een ander in de burgermaatschappij, die soms nog jaren na zijn leertijd bij moeder tehuis zit. Dit is echter geheel iets anders dan het endosseeren van de opleiding aan de vloot.

En nu de opleiding tot Kwartiermeester.

De klacht der Commandanten, wanneer zij hunne rapporten over het personeel indienden, was veelal: „Gebrek aan prestige bij de jonge Kwartiermeesters".

Nu rijst de vraag : waardoor ontstaat prestige ? M. i. door

1°. Karakter. , 2°. Leeftijd. 3°. Beschaving. 4°. Kennis.

Is aan al deze eischen voldaan bij de nieuwe opleiding en wat heeft zij voor en tegen bij de oude ?

Sub 1. Door verhooging van den leeftijd bij toelating tot de opleiding heeft men meer waarborgen voor een goed oordeel over den matroos le kl. dan men vroeger had over den jongen van het opleidingsschip. De beoordeeling in deze hangt af van de Commandanten, die den matroos onder hunne bevelen hebben en deze zullen zeer zeker doordrongen zijn van het groote belang, dat met de zaak gemoeid is.

Sub 2. Wel is niet bereikt wat een Javaan voor ouderen of iemand op het platte land voor een grijsaard voelt, doch de meerdere levenservaring van een matroos le kl., die eenige jaren gevaren heeft, legt groot gewicht in de schaal bij den omgang met jonger volk, vooral bij de Marine, waar door alle rangen zoograag gepraat wordt over dingen, die een ander slechts van hooren zeggen heeft.

Sub 3. Ook dit is eene zaak, die van de appreciatie^ van de Commandanten afhangt, die den matroos voor plaatsing bij de opleiding voordragen.

Men heeft echter thans veel meer waarborgen dan vroeger, dat die beoordeeling juist kan zijn, de matroos le kl. toch is in aanraking geweest met de verleidingen, welke de wereld in diverse hemelstreken aanbiedt en bovendien met een groot aantal meerderen en kameraden, terwijl de jeugdige kwartiermeester van vroeger als leerling behandeld was, tot hij zijne strepen kreeg en niet uit den band kon vliegen dan in sporadische gevallen. Het onderscheid is m. i. groot.