is toegevoegd aan uw favorieten.

Het sportblad; Officiëel orgaan van verschillende bonden en clubs jrg 17, 1909, no 11, 18-03-1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

e

HET SPORTBLAD.

strijd is dit zelfs gewenscht. Zoo ik hierboven reeds uiteenzette is hij echter tot het volgen van het advies niet verplicht.

Drie passen.

Ik kreeg verleden week een vraag die me werkelijk in moeilijkheid bracht.

Een doelverdediger kreeg den bal in handen en om zijn aanvallers te ontwijken draaide hij op z'n linkerbeen rond, hierbij het rechter telkens verplaatsende. Ia werkelijkheid bleef hjj dus op dezelfde plaats staan en veranderde alleen van front. Gevraagd wordt nu of hij bierdoor meer dan 2 passen deed en dus strafbaar was.

Ik htb hieromtrent de meening van diverse collega's en zelfs van Eogelscbe autoriteiten ingewonnen en zooals ik wel verwacht had, loopen de meeningen nogal uiteen.

Het meerendeel is echter met mij van meening dat elke verplaatsing van bet rechterbeen als een pas moet aangemerkt worden, zoodat de doelverdediger strafbaar is zoodra hij voor de derde maal z'n rechterbeen verplaatst. Ik zou dan ook adviseeren in dien geest te handelen.

C. J. G.

Brieven van een Leidenaar.

Zes dagen van de week zit ik te turen op diverse handelspapieren en bescheiden, met als eenige af wiss ling 't voor de zooveelste maal icspecteeren van de huizengevels, die, aan de overzijde van 't stille grachtje, m'n gezichtseinder 'n plaatsje bezorgen op 'n distantie van circa 50 Meter, eiken dag weer aan de zelfde gezichten.

Aan de overzij woont, naast een steenkolenpal huis, 'n slager, die driekwart van den dag vóór z'n winkel hangt (bij leelijk weer binnei); daarnaast 'n schoenmaker, aanbidder van voetbal, omdat ie daardoor zooveel „ripperasie" heeft van de jongens van de club op de gracht; daarnaast 'n renteniprster, die "eiken Maandagmorgen eene langdurige conferentie heeft met dr huisjesmelker; daarnaast woonde 'n oud vrouwtje, dat bij 't mijnen van de visch de zoodjes aanwees, 't huis staat nu leeg, want ze is voor kort gestorven, begraven op 'n draagbaar met zes kraaien er onder.

Ik ken ze alltma*al, die huizen aan den Overkant, n,et d'r bewoners, die, als automaatjes, steeds opnieuw 't zelfde doen, dag in, dag uit, tot 't Zaterdag gaat worden.

Dan wordt er 'n élite-programma afgewerkt; dan heeft alles 't would bt-druk.

De slagerfjongen zit te J»ap-Eden-en op z'n flits, de klanten d'r vleei-ch te brengen.

De schoenmaker naait en halve zoolt en achterlapt dat 't 'n aard heeft, want morgen is 't „mets''.

De rentenierster boent d'r straatje, poetst d'r bel

Alles i« bezig, want en dat straalt door alles heen, morgen, morgen is 't Zondag, zijn we vrij.

Dan zitten we niet in ons bureaustoebje vettig neer, dan gaat de telefoon niet naast onsrieng — rrrrrrr — rang, dan glijdt niet de pen koortsachtig over het papier, dan kwellen je geen reizigers met reclame-artikelen of goedkoope offertes.

Morgen, ja morgen, dan gaan we strekken

onze ledematen, dan hollen we door de wei als jonge veulens, morgen zijn we vrij. 't Klinkt als belofte 1

's Avonds ga je naar je stamkroeg, waarde voetbalmenschen neerzitten met verwachtingskoppen, achter zich 'n week van werken, herseninspanning, voor zich 'n dag die tegenlacht; die de kansen bespreken, naar nieuwtj s visschen om, combineerend, nog beter te kunnen genieten morgen van den wedstrijd.

Tegen sluitingsuur kras je op, de lucht is helder, de straten slechts hier en daar nat.

't Geeft je goeden moed voor morgen.

Eq je valt in je bed met aangename gedachten in ja hoofd, warrelend over wat de dag van heden, want 't is intusschen Zondag geworden, ja te genieten zal aanbieden.

En ja maft

'n Kloppen op de deur doet je wakker worden, ja wrijft de oogen uit. O ja, Zondag ! 't Weer? Ja schuift 't gordijn weg, 'n ingehouden vloek sist - glipt door 33 tanden.

Voor den d . . . .

Je Zondag .weg 1

Traag klee-je je an.

't Sneeuwt, 't sneeuwt altoos nog. En altijd maar door dwarrelen de vlokken monotoon naar benee.

Zwaar dwarrelt 't ook op je neer, dat 'n mooie dag van ja leven is weggenomen.

En je vegeteert zoo een dag van diepe voetbaldroefenis!

De sleur van de uren wordt gebroken als m'n vrienden Sam en Beppo me komen opzoeken.

„G'ndag" klinkt't met verveelde stem. „Zoo, meneer, hoe maak je V'. „Beroerd, Lè, wat 'n lam weer". „Schei uit, zeg."

Langzaam aan ontwikkelt zich 'n stroef loopend gesprek.

„Uitgaan ?" „Nee, veel te vuil weer". „Wat dan ?".

Ik opper 't idee verhaaltjes te vertellen, welk voorstel de sympathie van het gezelschap verwerft.

Als we dan elk met 'n gJas punsch van 't Beertje voor ons zitten, vang ik, als uitvinder, 't eerste aan met:

't Verhaal van den Voetballer die zoo graag 'n voetbalbond wil hebben.

Sam en Beppo schoven dichter bij, toen ik begon :

„Daar was er eens 'n voetballer, niet jong meer, die veel gespeeld had, maar nog nooit, 'n voetbalwond bad opgedaan. En toch zou-ie later, als-ie z'n schoenen aan de droogstok had gehangen, zoo gaarne willen wijzen op oude voetballitteekenp, opgeloopen in heeten strijd voor de overwinning".

Sam knikte goedkeurend, wreef a'n neus van links naar rechts, z'n neus waarmee-ie eens tegen 'n doelpaal was opgeloopen.

Ik ging voort.

„Wat hoopte-ie niet eiken wedstrijd op 'n trap, niet te erg, maar juist hard genoeg dat er bloed vloeide.

„'t Hielp niet. De weken verliepen; geen