Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

878

uit de pebs.

Behalve de Koloniale Marine bevond zich destijds in OostIndië ook reeds een „auxiliair eskader".

De opvolger van mr. Van dee Hoop, mr. G. T. Elout, werd behalve met het beheer over het Departement van Marine, ook met dat van Koloniën belast.

Het is onder dezen bewindsman dat wij de eerste Commissie zien verschijnen, welke verslag moet uitbrengen over den toestand der Marine.

In haar gedeeltelijk gepubliceerd rapport van 2 Juli 1829 ontwikkelde zij een vlootplan, omvattende 12 linieschepen, dertig fregatten, dertig korvetten en vele kleinere vaartuigen. De bemanning hiervan zou in oorlogstijd 26.000 man, in vredes tijd 8500 man moeten bedragen.

Maar van de plannen van deze Commissie kwam - zooals van de vele voorstellen der tallooze commissies, welke na haar kwamen -- weinig of niets.

De meeste van hare voorstellen werden door den Minister, in een uitvoerig schrijven aan den Koning, om flnancieele redenen ontraden, en omtrent die, met welke hij zich vereenigen kon, deed hij geen voorstellen, omdat hij deze, in verband met zijn naderend aftreden, liever aan zijn opvolger wilde overlaten.

Nadat jhr. J. J. Qdaeles van Upfoed korten tijd waarnemend Minister van Marine en Koloniën geweest was, volgde een belangrijke wijziging in het bestuur der zeemacht. Koning Willem I droeg met ingang van 1 Januari 1830 het opperbestuur over zee- en landmacht op aan Prins Frederik, die tot Admiraal en Kolonel-Generaal benoemd werd.

Onder diens opperbeheer werd voor elk departement een Directeur-Generaal benoemd, welke functie voor de Marine opgedragen werd aan den vice-admiraal C. J. Wolteebeek.

Reeds gedurende dit tijdperk hoorde men dezelfde klachten, welke ook kortgeleden zoo krachtig o. a. door den Kapitein ter Zee Umbqrove geuit werden, n.1. dat van de beschikbare middelen te veel voor de werven en hare kostbare administratie besteed werd, hetgeen ten koste ging der actieve Marine.

Dat deze klachten niet onbillijk waren blijkt wel uit het feit dat Nederland in 1840 vijf établissementen bezat tot het bouwen en uitrusten van schepen, die „behalve de kosten van het omslachtig beheer en de arbeidsloonen voor omstreeks 3000 werklieden, telkens nieuwe uitgaven vereischten", terwijl met inbegrip van de op stapel staande schepen slechts 9 linieschepen, waarvan twee onbruikbaar, 16 zware fregatten en 3 lichte, benevens het kleine materieel aanwezig waren.

In 1840 had wederom eene verandering in 't Marine beheer plaats. Prins Frederik werd eervol van zijn taak ontheven, de vice-admiraal Wolteebeek, die ongeveer tien jaar lang als Directeur-Generaal de Marine beheerd had, eervol ontslagen en de oud-Gouverneur-Generaal van Nederlandsen Indie J. C. Baud tot Minister van Marine en Koloniën benoemd.

Reeds bij de behandeling van diens eerste begrooting hoorde

Sluiten