Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

1205

genaderd is in eene richting van meer dan 2 streken achterlijker dan dwars en dus voor de „Meuse" had moeten wijken, 't geen de gedaagde ontkent onder bijvoeging dat de koersen van beide stoomschepen elkander zoodanig kruisten, dat er gevaar voor aanvaring bestond en dus de „Meuse" die de „Piet Hein" aan stuurboordzijde had, voor deze had moeten uit den weg gaan;

0. dat derhalve beide partijen zich beroepen op het Koninklijk Besluit van 24 April 1897 n°. 107 tot vaststelling van gewijzigde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee en wél eischeres op art. 24 gedaagde op art. 19 van dat Besluit terwijl beide erkennen dat hun schip niet uitgeweken is, doch zijn 'koers behouden heeft, wat dan ook bij hetzelfde Reglement voor het schip dat niet verplicht is uit te wijken is voorgeschreven;

0. dat de beslissing van de zaak dus afhangt van de vraag of de „Piet Hein" de „Meuse" is opgeloopen in welk geval niet alleen volgens het Reglement maar gelijk gedaagde heeft toegegeven, ook volgens de eischen van goede zeemanschap in het algemeen eerstgenoemd schip voor het andere had moeten wijken en zulks niet gedaan hebbende, de schuld der aanvaring draagt;

O. toch dat van de zijde van gedaagde nog wel beweerd is, dat aan boord van de „Meuse" niet de noodige voorzorg zou zijn in acht genomen, dat met name de voorgeschreven lichten niet duidelijk zichtbaar brandden en de bemanning niet voldoende op haar post was maar dat ten aanzien der lichten niet beweerd is, dat zij zoo flauw brandden, dat zij niet tijdig konden gezien worden en ten aanzien der bemanning evenmin is aangegeven in hoeverre grootere waakzaamheid aan boord van de „Meuse" de aanvaring zou hebben voorkomen, zoodat op die grieven niet nader behoeft te worden ingegaan;

O. nu dat eischeres gehouden is den grondslag harer vordering te bewijzen, zoowel wat betreft de schuldvraag als wat aangaat de schade, die mede door gedaagde ontkend is;

O. dat eischeres het bewijs van de schuld aan zijde der „Piet Hein" in de eerste plaats wil leveren door de in het geding gebrachte verklaringen van de geredde bemanning der „Meuse", op 15 Juni en 13 Juli 1906 afgelegd voor den Viceconsul van België te Den Helder, welke volgens eischeres de bewijskracht van scheepsverklaringen volgens art. 384 W. v. K. zouden hebben;

O. echter dat -- daargelaten of die verklaringen naar haren inhoud voldoende bewijs zouden opleveren - de rechtbank met gedaagde van oordeel is, dat zij niet als scheepsverklaringen in aanmerking kunnen komen, waar zij zijn afgelegd voor den consul van België terwijl art. 380 W. v. K. voorschrijft dat in eene haven van het Koninkrijk der Nederlanden de scheepsverklaring moet worden afgelegd ten overstaan van den Kantonrechter in de gemeente, waartoe de haven behoort;

Sluiten