Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1912. - beraadslaging.

98

meer kon worden volstaan met eenvoudig te zeggen: wij willen zoo krachtig mogelijke pantserschepen, maar dat zij als deskundigen wel moesten verklaren, wat zij feitelijk als krachtige pantserschepen meenden te moeten beschouwen.

Zoo kwam. men in deskundige kringen, ook rekening houdende, voor zoover dat kon, met onze financiën en ons personeel, tot een bijna algemeene veroordeeling van het door den Minister voorgestelde schip en tot aanprijzing van schepen van ongeveer dubbele grootte; men meende, dat slechts een eskader van dergelijke schepen voor de verdediging van Nederlandsch-Indië en de handhaving van onze neutraliteit aldaar van eenige beteekenis kon worden geacht, terwijl ook voorstanders van een torpedovloot die soort schepen verkozen boven een vloot van zwakke artillerieschepen, zooals zij dat schip van den Minister noemden.

Ik wil er nogmaals aan herinneren, dat de Staatscommissie meende, dat, als de eisch moest worden gesteld, dat Nederlandsch-Indië door de marine in volstrekten zin moest worden verdedigd tegen eiken aanval van buiten, er, zonder overdrijving, zou moeten worden aangebouwd een vloot tot een aanschaffingswaarde van f 178 000 000, waarvoor een personeel zou benoodigd zijn van 9500 man; die vloot zou bestaan uit 7 pantserschepen van 18 000 ton, 6 éclaireurs van 3000 ton, 8 onderzeebooten van 350 ton en 21 torpedojagers van 350 ton; waarbij dan nog komen de kosten voor de aanschaffing van mijnschepen en voor de verbetering en inrichting van dokken, arsenalen, enz.

De Staatscommissie meende — de heer van Wassenaer van Catwijck heeft dit reeds herinnerd — dat daaraan niet kon worden gedacht; zij hield zich dus aan de aanschaffingswaarde van bet plan, dat door den Minister Cohen Stuart was ingediend. De Staatscommissie meende verder, dat, indien aan de vloot tot taak werd gesteld den vijand belangrijke hinderpalen te stellen, bij de beperkte middelen die wij hebben, onze zeemacht reeds aan haar roeping zou hebben voldaan; dat echter dan niet aan een artillerievloot kon worden gedacht, maar dat er dan moest worden overgegaan tot den bouw van een torpedovloot ; in de eerste plaats omdat dan de verschillende inrichtingen in Indië veel minder zouden behoeven te worden gewijzigd dan wanneer overgegaan werd tot den bouw van een vloot van groote schepen, in de tweede plaats omdat met een vloot van torpedoschepen beter gebruik kan gemaakt worden van de geografische gesteldheid van den Indischen Archipel, dan ook met de schepen van den Minister; in de derde plaats omdat door de torpedoschepen een veel beter gebruik kan worden gemaakt van de draadlooze telegraphie, daar zij, meer in den Archipel verspreid, berichten beter en sneller zouden kunnen overbrengen; en in de vierde plaats omdat de voorziening van brandstof voor de vloot, al is dat ook voor de torpedovloot moeilijk, toch nog gemakkelijker zou zijn dan voor de artillerievloot,'omdat de eerste haar kolen ook zou kunnen opbergen in de schuilplaatsen, waarvan de Commissie sprak, die door den

Sluiten